is toegevoegd aan uw favorieten.

De verloofden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene regenbui twee parallel vloeiende beken geleek, die echter somtijds, waar haar bedding tot het opvangen van al het gevallen water ongenoegzaam was, bijna onzichtbaar waren in den overal blank staanden en letterlijk onbegaanbaren weg. Op zulke plaatsen verwittigde een klein voetpad, dat langs eene der kaden opsteeg, den wandelaar dat andere reizigers zich een weg door het veld gebaand hadden. Langs een van deze paadjes op het hooge terrein gekomen, zag Renzo eensklaps voor zich uit dat groote gevaarte van den dom, alleen zichtbaar in de vlakte, als stond het niet midden in eene stad, maar als verhief het zijne kruin uit eene wildernis. Als verbijsterd door het gezicht van dit achtste wereldwonder, waarvan hij van zijne jeugd af zooveel had hooren spreken, bleef hij onwillekeurig staan en vergat voor een oogenblik al zijne rampen. Maar weldra, zich even onwillekeurig omkeerende, zag hij aan den horizon die uitgekartelde rij bergen, en boven allen uit zijn Resegone, en nu viel hem even schielijk zijn ongeluk weder met verdubbelde zwaarte op het hart. . . . Hij loosde een diepen zucht en vervolgde treurig zijn weg. Voortgaande begon hij langzamerhand torens en koepels en daken te onderscheiden, daalde daarop in den nu weder drogen weg af, en toen hij bemerkte dat hij de stad begon te naderen, waagde hij het een voetganger dien hij ontmoette staande te houden, en na voor hem de beleefdste buiging gemaakt te hebben die hij kende, hem aldus aan te spreken : „Met uw verlof, mijnheer!"

„Wat begeert gij, mijn jongen?"

„Zou mijnheer mij ook den kortsten weg kunnen wijzen naar het klooster der kapucijnen, waar vader Bonaventura woont?"

De man, dien Renzo had aangesproken, was een gegoed bewoner van den omtrek van Milaan, die dien morgen om zaken naar de stad gegaan zijnde, nu zonder iets verricht te hebben in grooten haast van daar terugkeerde, blijkbaar verlangende om thuis te komen. Dit oponthoud was hem dus allesbehalve welkom. Met dat al antwoordde hij, zonder eenig teeken van ongeduld te geven: „Ja, mijn beste jongen, kloosters zijn er meer dan een. Gij zoudt mij duidelijker dienen te zeggen welk klooster gij bedoelt." Renzo haalde toen den brief van vader Cristoforo voor den dag, en liet dien aan den heer zien, die, daarop het woord „porta orientale" gelezen hebbende, hem dien teruggaf, zeggende: „Dat komt gelukkig, beste maat: het klooster dat gij zoekt is niet verre van hier verwijderd. Sla dit wegje hier aan de linkerhand in. Het is een bijpad. Weldra zult gij aan de eene zijde een lang en laag gebouw gewaar worden. Dat is het lazaret. Gij hebt de gracht die er om loopt maar langs te gaan, dan komt gij van zelf aan de porta orientale. Als gij die binnen zijt, ga dan maar rechtuit, en gij komt na een drie of vierhonderd schreden, op eene kleine opene plaats, met fraaie olmen beplant. Daar staat het klooster. Gij kunt niet dwalen. God zegene u, jonkman." Hij vergezelde deze laatste woorden met eene bevallige beweging van de hand, en ging zijns weegs. Renzo was geheel verbaasd over de beleefdheid der stedelingen jegens de landlieden, maar hij wist niet dat het een dag was, anders dan andere dagen, een dag waarop de riddermantels uit den weg gingen voor den boerenwambuis. Hij volgde de aanwijzingen van den beleefden stedeling, en kwam, zonder een oogenblik te aarzelen, aan de porta orientale. Den lezer wordt echter verzocht, bij het vernemen van dezen naam, daarmede niet de voorstellingen te verbinden, die de tegenwoordige toestand dier plaats aan de hand geeft, dien rechten, breeden weg, van beide zijden met populieren beplant, dien ruimen ingang tusschen twee op eene groote schaal aangelegde gebouwen (om er niet meer van te zeggen), van binnen die beide zijdelingsche opgangen naar het glacis, beide behoorlijk gelijk gemaakt, met eene gelijkmatig afloopende helling en met boomen bezet, dien fraaien tuin, en wat verderop die paleizen aan beide zijden van de hoofdstraat. Toen Renzo die poort binnentrad, liep de