is toegevoegd aan uw favorieten.

De verloofden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en wel inzag dat hij misschien nog wel meer op het spel zette. Hij bleef dus op een eerbiedigen afstand; en intusschen zijn tweede brood voor den dag gehaald hebbende, begon hij dat, in de uiterste achterhoede van het luidruchtig leger, evenals het vorige te orberen. Het leger zelf was intusschen reeds door de korte en nauwe straat Pescheria vecchia, die op het plein uitkomt waar het vreugdevuur gebrand had, en door den schuins staanden boog dien men aan het einde daarvan ziet op de markt aangekomen. Weinigen waren er, die in het voorbijgaan niet even de oogen wendden naar die nis, in het midden van het balkon van het gebouw, toen genaamd il collegio dê dotteri, waarin het groote standbeeld van Philips II stond, die met zijn ernstig, gestreng en norsch gelaat, om het op zijn zachtst uit te drukken, zelfs in marmer nog ontzag scheen te gebieden, en die met zijn uitgestrekten arm scheen te willen zeggen: „Ik ben er, geboefte!" *

Die nis is thans ledig, door een bijzonder voorval. Omtrent honderdzeventig jaren na het tijdstip waarvan wij spreken, werd op zekeren dag het hoofd van het standbeeld met een ander verwisseld, de schepter werd hem uit de hand genomen en hem daarvoor een dolk in de plaats gegeven, en op het voetstuk werd de naam van Marcus Brutus geplaatst. Zoo toegesteld bleef het standbeeld nog een paar jaren staan, toen op zekeren morgen eenige personen, die Marcus Brutus niet best lijden mochten, ja zelfs een geheimen wrok jegens hem moesten koesteren, het beeld een touw om den hals wierpen, het naar beneden trokken, het beschimpten en mishandelden en het eindelijk verminkt als een onvormelijken romp onder een verfoeielijk geschreeuw door de straten sleepten, en het, toen zij dit spel moede waren, ergens in een hoek neersmeten. Die dat eens aan Andrea Biffi gezegd had, toen hij het vervaardigde!

Van de markt zakte de joelende bende in het straatje dé fustagnai af, en verspreidde zich daar uit over het Cordusio. Ieder wendde, zoodra hij daar aankwam, de oogen naar de aangewezene bakkerij. Maar in plaats van de verzameling van vrienden, die zij meenden daar reeds aan het werk te zullen vinden, zagen zij er slechts weinige die, op zekeren afstand van den winkel, heen en weder liepen en stonden te kijken, terwijl de winkel zelve gesloten was en, zoo 't bleek aan hetgeen men door de vensters gewaar werd, van eene bezetting voorzien, die wel gewapend was en bereid eiken aanval krachtdadig af te weren. Dit gezicht deed de eerst aangekomenen standhouden, om de volgenden te waarschuwen, en te zien welke partij de anderen kiezen zouden. Sommigen keerden zelfs terug of bleven achter. Men drong vooruit en achteruit; men vroeg en gaf inlichtingen; men wendde en keerde het was als het koken van eene verbolgen zee, op het oogenblik dat de wind, die haar in beweging gebracht heeft, is gaan liggen. In dit oogenblik klonk, ter kwader uur, midden uit de menigte eene stem: „Hier dichte bij is het huis van den vicario di provisione. Waarom gaan wij daar geen recht uitoefenen!" De wijze waarop deze woorden op de menigte werkten deed ze meer voorkomen als eene herinnering van een reeds genomen besluit, dan als een nieuw voorstel. „Naar den vicario! Naar den vicario!" was de eenige kreet, dien men hoorde. De drom stroomde eensklaps met eendrachtige woede naar de straat, waar het zoo ontijdig genoemde huis lag.

XIII.

De ongelukkige vicario was op dat oogenblik bezig de digestie van een met tegenzin en een weinig oudbakken brood genuttigd middagmaal te bederven, door de angsten en zorgen waaraan hij zich overgaf, over den afloop van het onweder dat de stad beroerde, verre echter van te vermoeden dat het weldra op eene