is toegevoegd aan uw favorieten.

De verloofden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo schrikbarende wijze boven zijn hoofd zou losbarsten. De eene of andere goedwillige liep uit al zijn adem voor de menigte uit naar zijn huis. om hem voor het nakend gevaar te waarschuwen. De bedienden, door het rumoer naar de deur gelokt, zagen al verschrikt de straat af, naar den kant van waar zich het gejoel deed hooren. Terwijl zij de waarschuwing vernemen, zien zij de voorhoede reeds aanrukken. Vliegens wordt het verschrikkelijk bericht aan den heer des huizes gebracht, en terwijl deze beraadslaagt of hij vluchten zal en hoe hij vluchten zal, komt een ander hem zeggen, dat het reeds te laat is. Nauwelijks hadden de knechts tijd gehad de deur te sluiten. Zij stutten haar, versperren haar, vliegen overal heen om de vensters te sluiten, zooals men gewoon is bij het opkomen van eene zware bui, als men het uitbarsten van het onweder elk oogenblik verwacht. Het toenemend gehuil weergalmt als een donderslag over het ledige voorplein; elke muur, elke post dreunt er van; elke hoek van het huis weerkaatst het ontzettend geluid; en nog sterker en menigvuldiger dan dat verward en verdoovend gegil klinken de steenen op de trillende voordeur.

„De vicario! De dwingeland, die ons uithongert! Hem moeten wij hebben, levend of dood!"

De arme man vlucht van kamer in kamer, met knikkende knieën en de doodskleur op het gelaat. In den verschrikkelijksten angst beveelt hij handenwringende zijne ziel aan God, en aan zijne knechts dat zij zich goed zouden houden en een middel vinden om hem te doen ontsnappen. Maar hoe, en waarheen? Hij klimt naar den zolder, en door eene opening tusschen de kroonlijst en het dak ziet hij angstig naar beneden en ontwaart daar de golvende menigte van bloeddorstige plunderaars. Hij hoort de stemmen die zijn dood eischen, en meer onthutst dan ooit treedt hij terug, om het veiligste en verborgenste schuilhoekje op te zoeken. Daar ingekropen, luistert hij, luistert hij of dan dat schrikkelijk gejoel niet een beetje minder werd, of het gestamp en gebons niet wat ophield: maar daar hij integendeel het gebrul nog wilder en nog luidruchtiger hoort worden er> de deuren hoe langer hoe sterker hoort kraken, stopt hij zich eensklaps, door nieuwen en onweerstaanbaren angst aangegrepen, de vingers in de ooren. En een oogenblik daarna, niet wetende wat hij doet, laat hij zijne ooren weer los, en strekt met kracht zijne armen uit, als wilde hij met zijne bevende handen de deur terughouden, op welke hij het volk beneden hoort rammeien.... Trouwens, wat hij ook deed, zoo heel precies kan men het toch niet zeggen, naardien hij alleen was, en de geschiedenis genoodzaakt is het te raden. Gelukkig dat zij daaraan gewoon is!

Renzo bevond zich op dit oogenblik in het midden van de branding, en wel niet bij ongeluk door den stroom daar henen gedreven, maar met opzet zoo verre doorgedrongen. Omtrent de plundering was hij het nog niet recht met zichzelven eens geweest, of dat in het gegeven geval goed of kwaad was, maar zoo als hij dat voorstel van bloedvergieten hoorde begon het zijne onwillekeurig te koken. Het denkbeeld van moord verwekte in hem een onmiddellijken en zijne geheele ziel doordringenden afschuw. En hoezeer hij, door die noodlottige leerzaamheid van het door dwaling verblinde verstand aan de door hartstocht ingegevene verzekeringen van eene groote menigte, stellig overtuigd was dat de vicario de hoofdoorzaak van den hongersnood, de voornaamste schuldige was, zoo had hij, bij geluk eenigen enkele woorden hebbende hooren uiten die het voornemen te kennen gaven om den vicario te redden, terstond besloten aan dit goede werk de hand te leenen. Met dit voornemen was hij tot bij de deur doorgedrongen, die reeds op allerlei wijze geschokt en gerammeid werd. Sommigen trachtten met keisteenen de spijkers uit het slot te doen springen, om het zoo van de deur te lichten; anderen, met hamer en beitel gewapend, poogden geregelder te werk gaan, anderen eindelijk bedienden zich van scherpe steenen, var stompe messen,