is toegevoegd aan uw favorieten.

De verloofden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

t Zal niet noodig zijn te zeggen dat Renzo terstond voor Ferrer was. Hij wilde hem schielijk te gemoet gaan. Gemakkelijk was het niet, maar toch met zekere stompen en duwen wier veerkracht den bergbewoner gunstig van de hem omringende stedelingen onderscheidde, wist hij zich plaats te maken, en tot in net eerste gelid, vlak naast de koets door te dringen.

Ki i Defe reeds een weinig in den dichten drom gevorderd stond op dat oogenblik stil, door eene dier onontwijkbare oponthouden, welke zoo dikwijls bij zulk een tocht moeten plaats hebben. De oude Ferrer vertoonde, nu aan het eene dan aan het andere portier, een gelaat vol zachtmoedigheid, vol toegevendheid, vol liefde, een gelaat dat hij altijd in reserve had gehouden, om te gebruiken als hij ooit eens het geluk zou hebben in de tegenwoordigheid van Philips IV toegelaten te worden, maar dat hij nu genoopt was bij deze gelegenheid te verkwisten. Hij sprak ook, maar het geschreeuw en gebrom van al die stemmen, de vivats zelve die te zijner eere werden aangeheven, lieten weinigen toe iets, en dan nog altijd maar zeer weinig, van zijne woorden te verstaan. Hij hielp zich echter ook met gebaren, nu eens de toppen van de vingers van beide handen aan den mond brengende om kushandjes te nemen, en die dan door de zich schielijk rechts en links uitspreidende handen ruimschoots aan de menigte uit te deelen als in dank voor de bewijzen van openbare welwillendheid die hij van hen ontving; dan weder diezelfde handen, uitgestrekt en met eene zachte buitenwaartsche beweging buiten het portier houdende, als om een beetje plaats te verzoeken; dan weder ze zachtkens benedenwaarts wiegende, als om een beetje stilte te smeeken. En als hij dan een beetje gekregen had, dan hoorden en herhaalden de naastbijstaanden de woorden: „Brood. Overvloed. Ik kom recht uitoefenen. Een weinig plaats, als ik u mag verzoeken." En dan weder als verdoofd door het gezicht van zoovele opeengedrongene tronien, van zoovele oogen op hem alleen gevestigd, trok hij zich een oogenblik terug, en de wangen opzettende, blies hij eens hartig uit, in zich zeiven zeggende: Por mi vida• que de gen te! (Bij mijn leven, wat een volk!)

„Leve Ferrer! Vrees niets. Gij zijt een braaf man! Brood, brood!" 1 j Ju.'br°0d' brood>" antwoordde Ferrer, „overvloed, dat beloof ik u," en hiermede legde hij de rechterhand op het hart. „Een weinig plaats!" vervolgde hij, zoo hard hij spreken kon. „Ik kom om hem gevangen te nemen, om hem de verdiende ftrj- te.<?0enl_ °"dergaan-" en zachtjes voegde hij er bij: „Si esta culpable (indien hij schuldig is)." En zich dan voorover naar den koetsier buigende zeide hij haastig „Adelante, Pedro, si puedes (voorwaarts, Pedro, als gij kunt)."

De koetsier glimlachte op zijne beurt de menigte zoetelijk toe, als ware hij ze" ^en personage geweest, en met eene onuitsprekelijke beleefdheid bewoog hij zachtkens de zweep ter rechter- en ter linkerhand, als om aan de in den weg staanden te verzoeken de goedheid te hebben een weinig op zijde te gaan en den paarden plaats te laten. „Met uw verlof," zeide hij, op zijne beurt, „mijne heeren een beetje plaats, een duimpje, een duimpje, als 't u belieft. Als ik maar net zooveel heb, dat ik er eventjes door kan."

De werkzamer goedwilligen beijverden zich intusschen om de zoo beleefd gevraagde plaats werkelijk te maken. Sommigen gingen voor de paarden uit en deden de menschen op zij gaan, door hun de handen zachtjes op de borst te leggen en hen zoo met voorzichtigheid achteruit te schuiven, altijd vergezeld do.or. ,efnA: «Zachtjes aan, zachtjes aan! Een beetje plaats, mijne heeren, als 't u belield. Anderen deden dezelfde manoeuvres aan de zijde der koets, om te maken dat de wielen vrij bleven en de koets voortkwam, zonder voeten te raken of aangezichten te schenden hetgeen, behalve het ongemak dat het zou veroorzaakt hebben, eene groote verduistering zou geweest zijn van het gunstige daglicht, waarin Ferrer thans voorkwam.