is toegevoegd aan uw favorieten.

De verloofden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nadat Renzo zich eenigen tijd vermaakt had met het gezicht van dezen goeden, eerwaardigen grijsaard, die hoe zwak ook van geest en lichaam, echter op dat oogenblik bezield was door de edelste -van alle aandriften, de zucht om een menschenleven te redden, stelde hij alle gedachte om zich te verwijderen ter zijde, en besloot Ferrer de hand te leenen, en hem niet te verlaten, voor dat hij zijn doel bereikt had. Zoo gezegd, zoo gedaan. Hij plaatste zich terstond naast hen die ruimte maakten, en was zeker daarin niet een van de minst ijverigen. De ruimte wordt gemaakt. „Rijdt maar op," riep meer dan een den koetsier toe, voor de koets uit achteruitgaande, als om hem uit te noodigen zijn weg te volgen: Adelante presto, con juicio (voorwaarts, schielijk, voorzichtig)," riep zijn meester hem toe; en de koets ging voorwaarts. Te midden van de groeten, die Ferrer in het honderd aan de menigte ronddeelde, deed hij er eenige meer in het bijzonder, met een zekeren glimlach van verstandhouding, aan hen welke hij zoo ijverig voor zich werkzaam zag, en van deze glimlachjes viel er menigeen Renzo ten deel, die ze inderdaad ook verdiende, want hij deed in dit oogenblik den grootkanselier meer dienst, dan de knapste zijner secretarissen hem zou hebben kunnen doen. De goede jongen, geheel verrukt door deze onverhoopte gunst, verbeeldde zich al half dat hij een vriend van Antonio Ferrer geworden was.

De koets eens aan den gang, vervolgde nu, dan eens wat schielijker, dan eens wat langzamer, en somtijds ook wel eens weder een oogenblik opgehouden, haren weg. Het eind weegs dat zij af te leggen had was inderdaad maar een stapje, maar den tijd daartoe besteed in aanmerking genomen, zou het eene lange reis hebben kunnen schijnen, zelfs aan iemand die niet zulk een lofwaardigen haast gehad had als de goede Ferrer. Het volk bewoog zich voor en achter, ter rechter- en ter linkerhand van de koets, als zware golven rondom een schip, in het midden van de branding; en nog scherper, nog onharmonischer, nog verdoovender, dan het gehuil der winden en het koken der verbolgene zee, was het gedruisch en het geschreeuw, dat zich daarbij deed hooren. Ferrer, die nu eens uit het eene, dan uit het andere portier keek, en die zich onophoudelijk in postuur stelde en gesticuleerde, deed zijn best, om er iets van te verstaan, ten einde zijne gezegden daarnaar in te richten. Hij wilde zoo gaarne naar zijn vermogen een gesprekje met die verzameling van vrienden aanknoopen; maar de zaak was hoogst moeielijk, de moeielijkste misschien van alle, die hem tot nog toe in zoovele jaren als grootkanselier waren voorgekomen. Van tijd tot tijd echter deed zich een enkel woord, zelfs soms eene geheele zin, door een troepje in zijne nabijheid herhaald, wat duidelijker verstaan, zooals de scheller klap van een enkelen voetzoeker zich doet hooren te midden van het verdoovend geklap van een afgestoken vuurwerk. Hij zelf, nu eens zich beijverende om op eene voldoende wijze te antwoorden, dan eens evenals de menigte in het honderd die woorden uitschreeuwende, die hij meende het aangenaamst te zullen zijn, of het meest gepast voor de behoefte van het oogenblik, hij zelf sprak en schreeuwde met even weinig orde en even weinig door anderen verstaan den ganschen weg over: „Ja, mijne heeren! Brood, overvloed. Ik zal hem naar de gevangenis brengen. Hij zal gestraft worden.... Si esta culpable. Ja, ja, ik zal er last

toe geven. Het brood goedkoop. Asi es zoo is het, wil ik zeggen. De koning,

onze heer, wil niet dat deze zijne allergetrouwste onderdanen honger lijden. Ox! Ox! guardaos (o! o! Wees voorzichtig)! Doet u geen zeer, mijne heeren! Pedro, adelante, con juicio Overvloed, overvloed. Brood, brood. In de gevangenis, in de gevangenis. Wat!" vroeg hij dan soms aan een die ter halver lijf in het portier was komen schieten, om hem den een of anderen raad, het een of ander verzoek, de eene of andere toejuiching in de ooren te gillen. Maar voor dat deze zelfs dat „Wat?" had kunnen verstaan, was hij al weder door een ander achteruitgetrokken, die hem op het punt zag van overreden te worden.