Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„En wij weten ook," vervolgde de notaio, „dien zeer hooggeschatten naam. Duivel! — dacht hier de hospes. — Dat vat ik niet. Hoe hebben zij dat gemaakt ? „Maar gij," hernam de ander, met een ernstig gelaat, „gij zegt niet alles zonder terughouding."

.Wat moet ik dan nog meer zeggen?"

O! O! Wij weten heel goed, dat hij in uwe herberg gebracht heelt eene zekere hoeveelheid geroofd brood, brood verkregen door diefstal, plundering en

oproer." . ... , .

Er komt er een met brood in zijn zak: en dan moet ik weten waar hij het

vandaan gehaald heeft, niet waar? Want, al hing er mijn leven aan, ik kan u verzekeren, dat ik niet meer dan éen brood bij hem gezien heb."

la wel altijd verontschuldigen, verdedigen. Als men u maar gelooft, dan zijr. "t allen eerlijke lui. Hoe kunt gij bewijzen, dat het brood op eene eerlijke wijze

in 's mans handen gekomen is ? .

„Wat behoef ik te bewijzen? 't Gaat mij niet aan. Ik ben niets anders dan

^Gij zult echter niet durven ontkennen, denk ik, dat deze klant van uw huis de vermetelheid gehad heeft beleedigende uitdrukkingen te bezigen tegen de plakkaten, en met woorden en daden, met gezegden en gebaren, het wapen van zijne

excellentie te hoonen en te beschimpen.

„Met uw verlof, mijnheer. Hoe kan hij een klant genoemd worden, als ik hem voor" de eerste maal zie? Het is de duivel, met uw verlof, die hem mij thuis gezonden heeft; en indien ik hem kende, dan begrijpt mijnheer toch ook wel, dat ik hem zijn naam niet had behoeven te vragen.

„Met dat al, in uwe herberg, in uwe tegenwoordigheid zijn er hoogst onbetamelijke woorden gebruikt: vermetele gezegden, oproerige voorstellen, murmeree-

ringen, uitroepingen, kreten."

„Hoe wilt gij, mijnheer, dat ik op al de gekheden acht sla, die zoovele schreeuwers, en die nog wel allen tegelijk schreeuwen, voor den dag brengen? Ik moet toch ook mijn belang in het oog houden, want ik ben een man, die t noodig heeft En dan weet mijnheer toch ook wel, dat die ruw in den mond is, ook al dikwijls ruw van knuisten is, voornamelijk wanneer er zoovelen bijeen zijn, en...

Ja wel ja wel! Ze maar laten doen en zeggen wat zij willen. Morgen, morgen zult gij eens zien of er hun de lust ook van vergaan zal zijn. Wat denkt gij wel? „Ik denk niets."

„Dat het canaille meester is in Milaan?"

„Juist zoo!" _ n

„Nu, dat zult gij eens zien, dat zult gij eens zien.

Ia ik begrijp het kostelijk. De koning zal altijd de koning zijn, maar die den boel "weer in orde brengt, die brengt hem in orde; en een arme huisvader heelt natuurlijk geen trek om den boel weder in orde te brengen. De heeren hebben de macht in handen. Het is de zaak van^ de heeren.

„Hebt gij nog zooveel volk in huis?"

„Een heele armee." ,

"En die klant van u, wat doet die? Gaat die voort met schreeuwen, met het volk"op te ruien, met oproerige bewegingen voor te bereiden?"

-Die vreemdeling, wil mijnheer zeggen, die is naar bed gegaan.

.Gij hebt dan veel volk . .. Goed. Pas op dat hij niet heenga. ^

Moet ik dan voor sbirro spelen? — dacht de hospes, maar hij antwoordde

ja noch neen.

„Ga nu maar naar huis, en gedraag u verstandig, hervatte de notaio. „Ik heb mij altijd verstandig gedragen. Mijnheer kan zelf getuigen of ik der justitie ooit eenige belemmering heb in den weg gelegd.

Sluiten