Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gronden hestonden van wet en recht, waardoor de plakkaten van Kakkl kunnen gerechtvaardigd worden. Of zij nuttig, of zij wenschelijk waren, zelfs in de 16p eeuw. toen zij overal als wettig golden, daarover spreek ik thans niet. (Dat inderdaad de wettigheid der plakkaten niet werd betwist, ziet men uit de woorden van Oranje's broeder, graaf Jan. Deze toch verdedigt Filip's maatregelen tot wering der nieuwsgezinden, inzonderheid der Calvinisten, en dat nog in 't najaar van 1566!)

Hooren wij dan het oordeel van twee prot. schrijvers, aan wie wij toch wel geen ultraniontaansche beginselen kunnen ten laste leggen, aan wie wij ook onmogelijk rechtsen historiekennis zullen ontzeggen. Groen v. Pr. schrijft (Arcli. I. 168*): „Met de uitoefening van een anderen godsdienst dan dien hij zelf beleed, te verbieden, handelde koning Filips" [en dus ook zeker zijn vader] „overeenkomstig met het openbaar recht van zijnen tijd. Zulk een verbod [„refus" weigering] was zijn recht. De vrijheid van preeken („la publicité des prêches")zou eene buitensporige („énorme ) concessie zijn geweest: men vindt er nauwelijks voorbeelden van. tenzij in Frankrijk in 1561. en daar was het toen het sein voor den burgeroorlog" [ook deze opmerking verdient wel de aandacht]. „ Verdraagzaamheid tegenover de gereformeerden was een reden tot oproer („motif de rébellion ) voor de roomschgezinden. Zij ook keurden de onderdrukking goed van wat zij ketterij noemden, ja, zij eischten die. Heb ik vroeger te veel gezegd?

Maar Groen gaat nog verder. „Waar het de privilegies geldt behoort men nooit uit het oog te verliezen, dat het handhaven van den roomschen godsdienst juist[een der meest op de wet steunende privilegies was" (t. a. p. 166*) en iets vroeger (15-4): „Filips was gehouden de Roonische A. te hand haven; dat tras een plicht, waartoe hij zich volgens overoud gebruik bij eede verbonden had.'

Mij dunkt, uit dit alles volgt zonneklaar, dat ik niets te veel beweerde met te zeggen, dat de plakkaten ter

Sluiten