Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stilzwijgendheid en in de zorg van elkander niet te verraden." (S. Blaupot ten Cate, Gesch. der Doopsgezinden in Holland enz. Ie D. blz. 75). Hier dns alweder blijken die kolossale getallen geheel hersenschimmig. Bij de rustige, vreedzame Anabaptisten vindt men die niet.

Uit de aangehaalde woorden ziet men ook dat Ten Cate zich wel wacht hier van de Anabaptisten te spreken. En toch in de geschiedenis der 16e eeuw is dat de algemeene benaming van allen die den kinderdoop niet erkenden. Van allen is ook de oorsprong dezelfde.

Toch begrijpen wij. dat de Doopsgezinden van later niet gesteld waren op de compromitteerende verwantschap ') met Storch, Munzeh, Jan van Leiden, David Joris, en andere heethoofden.

Hooren wij hierover den predikant-hoogleeraar Bern. ter IIaak. Hij schrijft: „Vreemd is het niet dat de latere Doopsgezinden in ons vaderland, met liet verhaal der hier geschetste gruwelen voor oogen. liet vermoeden van alle gemeenschapen verwantschap met de Munstersche Wederdoopers als de pest verafschuwen, en als de hatelijkste beschuldiging van zich weren. Toch hebben zij .... door die verwantschap te ontkennen, een zeer onveilig en geheel onhoudbaar standpunt ter verdediging gekozen. Men moet de geschiedenis i li het aangezicht slaan, om nog langer den geineenschappelijken oorsprong van Doopsgezinden en Wederdoopers te willen loochenen, gelijk deze zich, voortloopende in eene rechte lijn — Thomas Mi'nzkr. Melchior Kink, Melchioh Hoffmann, Johan Matthwsen, Obbe Philips, Leendert Bouwens. Menno Simons. den hervormer der Wederdoopers — laat aanwijzen." (Geselt, der christ. Kerk in tafereelen, IV deel l>lz. 266).

Toch lieten de latere Doopsgezinden geen pogingen onbeproefd, om die lastige verwantschap met de Anabaptisten van zich af te werpen. Volgens hen was de oorsprong verschillend. In die richting werd dan ook door hun schrijvers in de 17o eeuw met ijver gewerkt. Wilde men hen gelooven. dan „waren de

1) En vroeger was daarmede ook hun eigen veiligheid gemoeid: want overal, niet liet minst in Protestantsche landen golden de strengste strafwetten tegen eene secte, die zich van den aanvang af, door oproerigheid en verregaande zedeloosheid had gekenmerkt.

Sluiten