Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de heldhaftigheid der Atheners in heel Griekenland uitblonk ; zij droeg toen zeker ook goede vruchten, wekte tot edelen naijver op, en spoorde alle burgers aan tot plichtsbetrachting en vaderlandsliefde naar 't voorbeeld der ouden. Maar later begon, wat eerst zoo prijsbaar was, te ontaarden ; alles bepaalde zich toen bij eene vaak overdreven hulde aan de dooden gebracht, wel geschikt om de ijdelheid der levenden te streelen, maar verder ook zonder nuttige uitkomst. En de redenaars, geroepen om door hun woord die nationale herinneringsfeesten op te luisteren, zagen daarin hoofdzakelijk eene schoone gelegenheid om te pronken met hunne welsprekendheid. Zich weinig bekreunende om waarheid van voorstelling, zorgden zij vooral voor het oratorisch element hunner rede, en legden zich er op toe, om in keurige, niet zelden gezochte taal, Athene's lof te bezingen. Doch zooals ik reeds zeide, al dat oratorisch vuurwerk oefende toen ook geen heilzamen invloed meer uit op de aandachtige schare; hot werkte schadelijk, omdat het de oogen verblindde.

Dit mag men opmaken uit de fijn-ironische critiek, waarmede een weibevoegd rechter, de scherpziende Plato. de feestredenaars van zijn tijd heeft gehekeld, hoewel daarbij eerst den schijn aannemende, als wist hij hun kunstgewrochten niet hoog genoeg te verheffen. Hij doet dit in een Dialoog, die naar den naam van een daarin voorkomenden spreker, meestal Menexenos, — soms ook, om den inhoud, Epitaphios d. i. lofrede op de gesneuvelde krijgers, genoemd wordt. Dat Plato zijne eigen opmerkingen, als naar gewoonte, aan zijn leermeester Sokrates in den mond legt. heeft niets wat ons moet bevreemden 1); ook

1) Wel echter bevreemdt liet ons op 't eerste gezicht, dat Plato zich in dezen Dialoog aan een in 't oog loopend anachronisme bezondigt, daar immers, gelijk ■ uit het opstel zelf blijkt, de tijd der vervaardiging wel dertien jaren na Sokrates' dood is te stellen. En Sokrates toch treedt hier sprekende op! — Dit tegen den schrijver ingebracht bezwaar zou natuurlijk vervallen, zoo men.

Sluiten