Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemeente, sustineerden, dat de Staat tras onthoofd, dat er geen koning in Israël was, dat de Staat in twist, confusie en in duigen zoude vervallen. Maar in die van de Regeering van Holland en vooral in degenen die het hoofd meer naar de liberteit dan naar het Hof hing, zag men terstond groote verandering en blijdschap: de tijding liep snel: 's morgens ten drie ure had men ze te Amsterdam. Aldaar werd 0111 deze tijding zeer mildelijk in de armenbns gegeven; en onder andere werden eenige stukken goud benevens dit gedicht door de diakens onder de predikatie vergaderd:

De Prins is dood, — Mijn gaaf vergroot;

Nooit blijder maar — In tachtig jaar."

\ ooral de stedelijke aristocratie in Holland beschouwde den 6" November als een heugelijken dag. Dat getuigt ook \ alckenier in zijn Verwerd Europa (Amsterdam 1688); hij schrijft: „Vele Magistraten durfden zeggen dat nu eerst Hollands vrijheid geboren was, daar men 80 jaren 0111 geoorloogd had; dat Holland eindelijk toonivrij was geworden: dat men nu verlost was de slavernij der Prinsen van Oranje, die te groot werden in den lande en van tijd tot tijd gedongen hadden naar de Souvereiniteit."

Nergens echter vertoont zich de dubbele strooming deipublieke opinie zoo duidelijk als in de kleine pers van dien tijd. in de tallooze pamfletten en blauwboekjes, die vooral tegen het einde van 1650 het licht hebben gezien. Van weerszijden kwamen de pennen in beweging, niet het minst — althans zoo lang de Prins nog leefde — tegen de Hollandsche partij, waarbij men het vooral op de gebroeders Bicker gemunt had. Daartoe behoorden b. v. het Swarte potloot, — Bickers kruyssinge, — Bickers grillen, en het „vileyne" Mugder sprookje. Zij zouden de belangen van den Prins („wiens heroïque deucht geene comparatie als van sich selven heeft,") voorzeker meer hebben bevorderd,

Sluiten