Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ten bewijze van zijn beweren beroept de steller van liet stuk zich nu op eenige artikelen van de Utrechtsche Unie, om tot liet besluit te komen, dat men hier staat voor een contract, „Waaruit dan noodzakelijk volgt, dat eenige leden van de Unie daarin niet kunnen veranderen in weder wille [tegen den zinj van één, twee. of drie provinciën [zooals Friesland en Groningen], maar gehouden zijn, naar de exempelen dier provinciën, de Unie hierin nakomende, Stadhouders te kiezen, om door dit middel alle provinciën de bovenverhaalde effecten te doen jouisseeren "

Terwijl dus de andere provinciën, tot beslechting van onderlinge geschillen, eene scheidsrechtelijke commissie benoemd willen zien, oordeelt de spreker van Friesland, dat er voor 't instandhouden der eendracht slechts één afdoend middel bestaat, en hij vindt dat in het Stadhouderlijk gezag. Dit onverwijld te herstellen acht hij voor alle provincies een onafwijsbaren plicht, ook voorgeschreven door de Unie van Utrecht.

En daar zal nog een ander voordeel uit volgen. Want „Hier bij komt te considereeren de groote diversiteit der opiniën en de enorme langzaamheid der resolutiën in regimine Polgarchico." De strekking dier woorden is duidelijk genoeg. Onder de opperleiding van een Stadhouder zullen de zaken veel spoediger afgedaan worden, dan wanneer de eindbeslissing afhangt van een veelhoofdig bestuur. Wij zullen dat niet tegenspreken; maar mogen toch vragen, of de hier opgezette theorie in eene republikeinsche staatsregeling wel te pas kwam. Men kan er niet aan twijfelen: de meerderheid — zeer velen althans — onzer toenmalige regenten hield vast aan het beginsel, dat de Stadhouder de dienaar bleef der Staten die hem hadden benoemd. Wij kennen daaromtrent het gevoelen der Hollandsche Staten, dat al meer en meer veld won in de zusterprovincies. En ook hier beriep men zich op de Unie van Utrecht, die immers de voorrechten der bijzondere pro-

Sluiten