Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verhoeden, onmisbaar en dus, ook op vernederende voorwaarden, wenschelijk te zijn."

Dit schetsje is opgemaakt uit echte bescheiden van dien tijd. In Holland hadden er herhaaldelijk woelingen plaats; vooral te Vlaardingen, Rotterdam, Amsterdam, Dordrecht. Hoorn, Alkmaar en Enkhuizen heerschten er onlusten. Aitzema schrijft: „De gemeente was allenthalven zeer verbolgen." In de overige provincies toonde men zich nog meer prinsgezind; in Friesland en Groningen vooral dorst men geen volk werven dan op naam van den Prins. In Zeeland moesten de Provinciale Staten, 0111 de gemeente en de predikanten tevreden te stellen, ten minste pro forma (zooals hun Gedeputeerden later verklaarden) een besluit nemen, waarbij voorgesteld werd. den Prins tot Kapitein en Admiraal-Generaal, met Graaf Willem tot zijn Luitenant te benoemen. En men gevoelde hoe langer hoe meer de nadeelige gevolgen van den oorlog. Aitzema bericht: ..Het gemeen gevoelen was dat, zonder ander succes ter zee, het met de navigatie, den handel en den Staat gedaan was." Dit alles deed de stoutmoedigheid der Prinsgezinden^ toenemen. Van daar dat dezelfde auteur nog verzekert: „Op wagens en in schuiten werd wederom gesproken dat alles kwaad kwam, omdat er geen hoofd was. Te Rotterdam was de gemeente zoo vol murmuratie dat men moest dubbele wacht houden," en elders: ,,De Prinsgezinden hoopten dat men den Prins van Oranje tot Kapitein, en Graaf Willem tot Luitenant-Generaal aannemen zou: en zulke discoursen begonnen al zeer om te gaan." Maar de thans in Holland heerschende partij bleef doof voor dien volkswensch, die zich krachtiger uitte naarmate het land meer de nadeelen ondervond van den oorlog; haar eigen belang echter eischte, dat een spoedige vrede de gemoederen weer tot rust bracht.

Hoe nu ook de Prinsgezinden dachten over de mogelijke uitkomsten van den oorlog, dat deze echter, waar geen

Sluiten