Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AANTEEKÈNING.

Over den toestand der Nederlandsche zeemacht tijdens den eersten Engelschen oorlog. Zie blz. 221. — Dat onze zeemacht in liet tijdperk van 1652 tot 1654 veel te wenschen overliet, en derhalve de klachten onzer scheepsvoogden over haar gebrekkigen toestand niet overdreven waren, blijkt allerduidelijkst uit de gegevens, die de kundige de Jong in zijn werk over het Nederl. Zeewezen heeft verzameld. Ziehier de voornaamste punten waarin onze vloot achterstond bij die van den vijand: 1°. Het getal onzer eigenlijke oorlogsbodems was veel geringer dan dat der Engelschen. Er bestaat nog in het Rijksarchief eene lijst door de Admiraliteiten aan de StatenGeneraal overgegeven, op den 15n Juli 1654. Volgens die lijst is het totaalcijfer der schepen van den Staat, zoo in werkelijken dienst als aan den wal, niet meer dan 101, waarbij nog 12 wachtschepen en andere kleine vaartuigen. De vloot moet toen reeds niet weinig versterkt zijn, want in Maart 1653 beliep het getal der landsschepen maar 66 '); en den

1) Daarmede is niot in strijd de opgaven der Admiraliteit in dezelfde maand aan de Staten-Gen. gedaan. Die lijst heeft wel een totaalcijfer van 154 schepen, maar daarvan waren er maar CC landsschepen, d. w. z. eigenlijke oorlogsbodems. Van de andere 88 waren 4C gehuurde en 42 Directie-schepen. De gehuurde waren koopvaardijschepen van de Oost- en West-Indische Compagnie, in der haast uitgerust en van kanonnen voorzien. De Directieschepen waren gebouwd en uitgerust door particulieren. En zoo begrijpt men ook, dat in den grooten zeeslag van 10 Aug. 1C53 onze vloot onder Tromp en Witte de With niet minder dan 109 schepen telde.

Sluiten