Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het hart. Want hoe vrome hijbellezers ook, de meeste leden waren bezield met haat tegen ons land, en vonden zich in hun gevoelen versterkt door een paar Anabaptistische predikanten, die in Black-Friars de bevolking van Londen trachtten op te zweepen tot het voortzetten van den oorlog. Beverningk, die eenige keeren onder hun gehoor was geweest, schreef' daarover aan de Witt: „Het doel dier mannen is, de bestaande gouvernementen omver te stooten, en hier het volk op te zetten tegen de Geünieerde provincies; ik heb in die vergadering van heiligen een gebed en twee predikaties gehoord; maar goede hemel, wat een wreede en afschuwelijke bazuinen van verdelging, brandstichting en moord!" Maar Cromwell, die het Parlement zelf niet zou ontzien, kon evenmin vrede hebben met deze geestdrijvers, en legde hun spoedig het stilzwijgen op.

De stand der onderhandelingen van Engeland met onze Republiek tegen het einde van 1653, in ons bekend. Wij weten dus. dat zij op het punt stonden van afgebroken te worden, toen do oppermachtige Protector aan 't bewind kwam. Van hem alleen hing het nu af, of het akkoord zou worden getroffen. Onderwijl was van de Perre overleden: en de Staten van Zeeland oordeelden het later onnoodig, hem een opvolger te geven. Men wist toch dat hij naast Beverningk, die het vertrouwen van Cromwell genoot, slechts eene ondergeschikte rol zou vervullen.

Wij hebben al gezien, welke artikelen van het Engelsche vredesvoorstel het minst aannemelijk aan onze gezanten moesten voorkomen. Vooral het laatstgenoemde, waarin aangedrongen werd op het uitsluiten van den jongen Prins, scheen hun een onoverkomelijk beletsel, waarover men het nooit eens konde worden; zij begrepen maar al te wel, dat die bepaling onmogelijk de goedkeuring zou verkrijgen der Staten-Generaal. De Witt zelf oordeelde niet anders, 't Zal van belang zijn. zijne zienswijze daaromtrent te vernemen. In een vertrouwelijken brief door hem den 2n Januari 1654 aan Beverningk gericht, lezen wij:

Sluiten