is toegevoegd aan uw favorieten.

Het huwelijksgoederenrecht in het Duitsche Burgerlijk Wetboek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verwaltungsgcmeinschaft: ze is van den beginne al geheel krachteloos.

Onder deze bepaling vallen b.v. het afstand doen van een zakelijk recht en het opzeggen van een vordering.

§ 1399. Zu Rechtsgeschaften, durch die sich die Frau 7.u einer Leistung verpllichtet, ist die Zustimmung des Mannes nicht erforderlich.

Stimmt der Mann einem solehen Rechtsgeschafte zu, so ist es in Ansehung des eingebrachten Gutes ihm gegenüber wirksam. Stimmt er nicht zu, so musz er das Rechtsgesehaft, soweit das eingebrachte Gut bereichert wird, nach den Vorschriften iiber die Ilerausgabe einer ungerechtfertigten Rereicherung gegen sich gelten lassen.

170. Rechtshandelingen waarbij de vrouw zich tot een praestatie verplicht, zijn geldig ook zonder toestemming van den man. Alleen, ze werken niet tegenover 't ingebrachte vermogen, zoolang de man zijn toestemming er niet toe gegeven heeft. Deze constructie is in overeenstemming met 't beginsel dat de vrouw volkomen handelingsbevoegd is, maar dat ze den man in z'n rechten niet mag benadeelen. Men kan haar rechtspositie vergelijken met die van iemand die een overeenkomst aangaat over een hem vreemde zaak. De overeenkomst is geldig, maar ze kan tegenover de zaak niet werken: ze werkt alleen tegenover den persoon. Heeft dus de vrouw Vorbehaltsgut, dan zal de derde met succes tegen haar kunnen ageeren tot schadevergoeding wegens niet-nakoniing; en bij de behandeling van § 1395 merkte ik reeds op, hoe er soms plaats zal zijn voor de actie uit onrechtmatige daad; maar ageeren tot nakoming der overeenkomst, voor zoover het een beschikking geldt over ingebracht vermogen, dat zal de derde nooit kunnen.

De man kan z'n toestemming altijd nog later geven, waardoor de overeenkomst ook tegenover 't ingebrachte vermogen haar werking krijgt.

De man mag zich ten koste van den derde niet verrijken. Daarom zegt § 1399, dat hij de overeenkomst in zóóver tegen zich moet laten gelden, als het ingebrachte vermogen er door verrijkt is; en wel naar de voorschriften over de ongerechtvaardigde verrijking.