Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ten slotte moeten we nog melding maken van de verzekering tegen ongevallen. Een wet van April 1898 n.1. kende aan bijna 1) alle arbeiders, in eenigen tak van nijverheid werkzaam, een aanspraak toe op vergoeding wegens ongevallen, die niet aan eigen opzet zijn te wijten.

De handel en de landbouw vallen er buiten. 2)

Voor boerenarbeiders geldt dus deze wet niet. Doch erisééne uitzondering.

Ieder namelijk, dien een ongeval treft, veroorzaakt door landbouwmachines „mues par des moteurs inanimés", heeft een aanspraak op schadeloosstelling tegenover hein, die dergelijke machines doet gebruiken.

De vergoeding bedraagt '/„ of 2/s van het loon; ze wordt nog grooter of kleiner, naarmate aan een van beide zijden schuld is geweest. De patroon kan zelf de risico dragen of zich bij een assurantiemaatschapij verzekeren; na de wet van Mei 1899 sluit ook de caisse nationale de retraite hiervoor polissen af, doch alleen voor gevallen van duurzame invaliditeit of sterfgeval. 3)

Voor de onkosten van medische en pharmaceutische hulp en van begrafenissen, alsmede voor vergoedingen wegens tijdelijke invaliditeit heeft de arbeider privilege op de goederen van den patroon. Bij duurzame invaliditeit of sterfgeval is hij gewaarborgd door een speciaal garantiefonds, gevormd onder beheer van de caisse nationale. Deze heeft altijd recht van verhaal op den patroon of diens assurantiemaatschappij.

Tot vorming van dat fonds worden 4 opcenten geheven van

1) Er buiten vallen de atelier* voor modistes e. d.

2) Een afzonderlijke wet van 21 April 1898 regelt de verzekering van de zeelieden ter koopvaardij tegen ongevallen; zie Watrin 1. c. p. 751.

3) Ibidem, p. 766, 817. Ook is er nog dit verschil, dat de caisse slechts polissen voor één jaar afgeeft en uiet verzekert tegen „fautes inexcusables". Zie Loubat. Des accidents agricoles. 1902. n°. 626.

Sluiten