Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Italiaansche-commenda-stelling troffen wij als een in haar eenzijdigheid verlatene. Die der montes heeft men na een halve eeuw van onderzoek niet in voldoenden staat van tegenweer kunnen brengen tegen LEHMANN's aanval. Neemt men al niet aan, dat door dezen geleerde het non-liquet in een liquet-non veranderd is, zoo is in ieder geval te constateeren, dat, hoezeer nog theoretisch volgehouden, een historisch verband tusschen de eerste handelscompagnieën en Italiaansche naamlooze vennootschapsformaties niet is bewezen, zelfs niet als waarschijnlijk. Wordt, terwijl deze theorieën blijkbaar op het doode punt staan, daarentegen een autochtoon ontstaan der handelscompagnieën tot in haar kleinste bijzonderheden aangetoond, dan vervalt daarmee de laatste grond der montes-hypothese, die een deel der Duitsche wetenschap nog steeds als een onredelijke obsessie drukt. LEHMANN, wien de negatieve resultaten der heerschende verklaringen een bewijs-uit-het-ongerijmde leken voor de, door voormelde hypothesen ontkende, zelfstandige Noord-Europeesche ontwikkeling, heeft dan ook een nieuwe phase van het onderzoek geopend door zijn nader te bespreken theorie. Al is een directe ontwikkeling der naamlooze vennootschap uit de handelscompagnieën steeds door meerderen gesteld 1), de speciale stelselmatige bevestiging, dat deze compagnieën niet terug te brengen zijn tot vroegere dergelijke rechtsformaties, is door LEHMANN's studie aan de orde gebracht.

Hier bevinden wij ons aan het doel dezer inleiding. Want wat de beide Italiaansche-oorsprongstheorieën aan waarschijnlijkheid moeten missen, wint het onderwerp, in de volgende bladzijden behandeld, aan belangrijkheid. Hebben wij terecht vastgesteld, dat bij den tegenwoordigen stand der wetenschap de directe ontwikkelingsreeks der naamlooze vennootschap aanvangt met onze Nederlandsche Oost-Indische handelscompagnie, dat dus alle pogingen het aanvangspunt dezer reeks nog verder te verplaatsen vruchteloos zijn gebleken, dan is nu meer dan ooit de tijd aangebroken vooreen nader onderzoek naar de juridische grondslagen dezer eerste Nederlandsche Compagnie. Mocht het gelukken haar karakter

1) Zie o. a. Molengraaff, Leiddraad bij de beoefening van het Nederlandsche Handelsrecht 2e druk 1905, blz. 144.

Sluiten