Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werkelijk treffen wij in de Duitsche Kommanditgesellschaft, de Fransche société en commandite (ex interpr. art. 26 C. d. C.) een commanditairen vennoot, die, zoolang zijn aandeel niet is volgestort, tegenover derden slechts tot een bepaald bedrag aansprakelijk is, onverschillig voor welke schulden zijner vereeniging 1). Kunnen wij dus met het oog op deze vennootschapsverhouding genoemde beperkingen niet missen in een overzicht van logisch-mogelijke vereenigingsvormen, aan den anderen kant maakt het onverdedigbare dezer beperkingen, voorzooverre niet aan den aard der schulden vastgeknoopt, begrijpelijk, waarom factisch door den wetgever geen verdere vereenigingsvormen met deze nuances van persoonlijke aansprakelijkheid zijn erkend. Want hoezeer de Engelsche reederij onder de tweede, de Duitsche (en Nederlandsche na abandon) onder de eerste beperking schijnen te vallen, de beperking is daar geen uitvloeisel van den vereenigingsvorm, maar van het vereenigingsdoel, en wordt dan ook buiten associatie door het zeerecht toegestaan. Is derhalve de aansprakelijksheidsbeperking, als contra rationem iuris, slechts exceptioneel in het associatiewezen opgenomen, anders is dit met de verdeeling der aansprakelijkheid, eigenaardig aan de vereenigingsgedachte en door den wetgever, als zonder bijzondere gevaren, in verschillende nuances extern-werkend, erkend. Het externe princiep brengt immers mede, dat voor het in naam der vereeniging verrichte de vereenigden aansprakelijk zijn — niet alleen degeen die handelde. Blijft nu de aansprakelijkheid der leden persoonlijk, dan kan deze zijn a) van ieder voor de geheele verbintenis als bij de firma-vennootschap 6) van ieder voor een evenredig gedeelte als bij de reederijformaties.

Hiernaast laat zich een vereenigingprinciep opstellen, waarbij de individueele aansprakelijkheid der leden, ieder met eigen vermogen, plaats maakt voor zgn. collectieve, waarbij alleen de leden gezamenlijk aansprakelijk zijn met een daartoe bijeengebracht gezamenlijk vermogen. De collectiviteit is dan de abstractie voor het beginsel, dat derden niet

1) Merkwaardig is te dezen opzichtede meening o. a. door BlNGER (t. a. p. blz. 38, 43) voorgestaan, als zou een dergelijke externe beperkte aansprakehjkheid imme contra rationem, dan ook haar historischen oorsprong vinden in juridisch misverstand.

Sluiten