Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»dinghe ende ten behoeve van de vierde voyage naar Oost-Indien te «doen, sall werden gefurneert". Dan volgen drie staten, waarop het gemeenschappelijke kapitaal verdeeld is over dezelfde achttien namen, als vermeld in de klad-resolutiën.

Blijkt dus, dat sinds de tweede uitrusting in 1598 (de eerste was van de Cie. van Verre, in 1594 opgericht, waarover nader) tot aan de laatste in 1601 1) de compagnie als zoodanig slechts was een vereeniging van bewindhebbers, die ieder een aantal eigen participanten achter zich hadden en wel een vereeniging, waarin het persoonlijk element zeer op den voorgrond treedt, getuige de interessante resolutiën betreffende de onderlinge verdeeling der werkzaamheden 2).

De juistheid hiervan zien we nader bevestigd aan de Maggellaansche Compagnieën. Toen de uitrusting van Jan van der Veken en Pieter van der Haegen «ende haere compagnie" van 1597 volkomen mislukt was, bood eerstgenoemde den Staten van Holland een verzoekschrift 3) aan, daarin o. m. mededeelende, dat «suppliant aan van der Haegen «heeft geprovideert, so van den synen als andere syne vrinden" de som van 267.000 pond, tot een reis, welke, zoo geslaagd «soude «hebben gestrekt tot voordeel ende advantagie van de gemeene lande, «vuytrusters ende compagnie derselver". Men ziet ook hier, hoe de compagnie op de tweede plaats staat als belanghebbende, maar de vereeniging zelf tusschen enkele kooplieden tot stand kwam. Nog duidelijker komt dit uit in de Magellaansche reederij van Olivier van Noort en Jacob Claessens, wier verzoekschrift aan de Staten-Generaal op hun eigen naam, zonder vermelding van eenige compagnie, inkwam en behandeld werd 4), terwijl Van Noort bekend was als «homo diu perditus «moribus et fortuna" 5) en zeker niet met eigen kapitaal kon werken. Eenzelfde opmerking treft de Amsterdamsche Maggellaan-vaarders Coeckebakker 6). Na de vereeniging dezer twee reederijen tot de Magellaansche Cie. is de nagewezen ontwikkeling ook hier te onderstellen en treft men een verzoekschrift van «bewinthebberen en participanten" 7).

1) De Jonge I, 107. — 2) Resol. Oude Cie. 23 Aug. 1599. — 3) De Jonge I, 240. - 4) Resol. St. Gen. 23, 24 Dec. 1597. — 5) De Jonge I, 125. - 6) Resol. St. Gen. 9 Juni 1598; resol Holland 24 Juni 159®- — 7) De Jonge I, 126.

Sluiten