Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werden bevonden gedaen te sijn. Te Rotterdam den 9 July 1720 by d'Wed. Boekenes en Zoon op ordre van d'heeren directeuren van de Compagnie van Assurantie. (»Het Groote Tafereel der Dwaasheid" bit. 25. — «Rotterdamsch Jaarboekje 1899" bh 19.)

BIJLAGE VII.

PROJECT DER VEERSCHE COMPAGNIE □ VAN COMMERCIE EN ASSURANTIE 1720.

(Gaal vooraf een loflied op Veere's ligging en vermelding der voorrechten door de Magistraat aan de Compagnie verleend.)

Art. i.

Het capitaal of inleg van de voorschreve Compagnie sal bestaan uyt vijfentwintig millioenen guldens, verdeelt in twaalf duysent vijfhondert actiën, yder actie van twee duysent guldens.

Art. 2.

De inteykening sal geschieden tot Vere, ten verstaan van d' Heeren Commissarissen bij haar Ed. Achtb. provisionelijk gecommitteert, en sal niemant minder mogen intekenen als een actie van twee duysent guldens en niet meerder als 25 actiën makende 50 000 guldens; boven de intekening sal niemant aansprekelijk zijn, en meerder intekening zijnde als het bestek, sal het aan gemelde Commissarissen staan, de intekening van de intekenaars naar eygen goetvinden te verminderen of geheel ongeintresseert te laten.

Art. 3.

Een yder sal van zijn ingeteekende somme moeten fourneren in handen van de voornoemde Commissarissen binnen de Stad Vere of per Bank der Stad Middelburg, binnen den tijd van 20 dagen naar dato van de biljetten, waar bij hij kennis krijgt datgeintresseert is, twee en een half percent, en vervolgens alle twee maanden naar den dag van het eerste fournissement twee percent, tot dat in het geheel twaalf en een half percent sal zijn voldaan. De quitantien of recepissen sullen door twee der gemelde Heeren Commissarissen geteykent worden.

Art 4

Yder intekenaar sal gehouden zijn de eerste inlaag van twee en een half percent te betalen in grof geld of per Banco op gestelde tijd en voor de verdere inlaage in gebreke blijvende op genoemde tijd te voldoen, zal zijn actie vervallen wesen aan de Compagnie, sonder dat daar op eenige de minste pretentien sal konnen werden gemaakt.

Art. 5.

Naar de voldoeninge van bovengemelde termijnen, sal geen verdere inlaag mogen gevordert werden als met goedvinden van directeurs en hoofd-participanten.

Sluiten