Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verkocht (zoo beleed Willem Willemsz. voor het hof aldaar, „Doopsgezinde Bijdragen", 1903, bl. 10, 31); dat het op den Index van 1570 is geplaatst (Sepp, „Verboden lectuur", bl. 240); en dat Joos de Tollenaer in 1589 het in een van zijne brieven noemt. Nog minder vernemen wij er van, sedert in 1615 het eerste Groot Offerboek was uitgegeven, dat in zijne vier drukken den inhoud van „seecker offerboecxken", d. i. het „Offer des Heeren", opnam en aanvulde, gelijk Van Braght dit in 1660 weer met het Groot Offerboek deed. Toch is het vóór dien tijd, tusschen 1562 en 1600, in een buitengemeen groot aantal afdrukken verbreid geweest. Telkens was er eene nieuwe uitgaaf noodig; in allerlei streken van ons land werd er naar gevraagd en is het door verschillende drukkers herdrukt. Van niet minder dan elf uitgaven zijn nog tegenwoordig exemplaren aanwezig, van eene enkele meer dan één, van andere slechts één enkel, en dan nog soms een in defekten staat. Misschien hebben er nog meer uitgaven bestaan. Zoo eene van 1589, die althans door Schagen in eene eigenhandige aanteekening vóór in zijn exemplaar van 1599, op de Doopsgezinde bibliotheek aanwezig, en eveneens in zijn „Naamrol" wordt vermeld; die ook (op zijn gezag?) door Scheffer, bl. 57, en Doedes, „Studiën en Bijdragen", bl. 233, wordt opgegeven; maar die, geloof ik, de laatsten evenmin als ik ooit hebben gezien. Kan het jaartal 1589 op den titel van het Liedboekje van n°. 9 (zie beneden) uitwijzen, dat dit uit een „Offer des Heeren" met volgend Liedboek, beide van 1589, is nagedrukt? Meer waarschijnlijk is het bestaan van eene uitgaaf, die aan de nog aanwezige zal zijn voorafgegaan en van 1561 zal dagteekenen. Ds. Cuperus van Utrecht vermeldde haar in eene aanteekening, door hem in zijn exemplaar van Schagen's „Naamrol", insgelijks thans op de Doopsgezinde bibliotheek, bijgeschreven. Moes, „De Amsterdamsche boekdrukkers enz.", 1903, afl. 5, bl. 5, neemt aan, dat deze druk er inderdaad is geweest. Dit gevoelen vindt nieuwen steun in hetgeen ik zoo even mededeelde over exemplaren, die reeds vóór April 1562 te Utrecht te koop werden geboden. Inderdaad: bedenkt men, niet alleen hoe de overheid jacht heeft gemaakt op zulke kettersche geschriften en ze, waar zij er beslag op kon leggen, ten vure heeft gedoemd; maar ook hoe zulke boekjes niet door aanzienlijken en geleerden werden gekocht, maar uitsluitend in den burgerstand, bij laat het

Sluiten