Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden toegekend. Tiet verschil in spelling tusschen haar en n°. 1—5 moge niet grooter zijn dan dat tusschen deze onderling, het formaat hetzelfde als dat van nn. 3-5: de gewone zoowel als de sierletters zijn andere en de titel met zijn vignet komt in geen andere uitgaaf voor. De uitgever van dit n". 6 heeft veel zorg besteed aan de inrichting van het hoekje en deze zeer verbeterd. Hij nam n.1. datgeen wat tot dusver achter het „Offer des Heeren" was bijgevoegd of in een afzonderlijk toevoegsel was geplaatst in het werk zelf op en schikte voor het eerst al de martelaars, van wie brieven enz. worden medegedeeld, in tijdsorde. „^\ ij hebben, zegt hij in zijne voorrede, „eens yeghelicx Belijdinge Brieuen oft Testamenten gheset achtervolghende den datum van den jare daer in een yegelijck opgheoffert is" .... Dat er „Brieuen van personen, tot sessen toe, zijn by geuoecht," drukt hij uit de voorrede van n°. 4 of n°. 5 na, terwijl hij dan laat volgen: „noch hebben wij weder op nieu twee ander daerby ghevoeght, met noch sommighe Liedekens."

Deze twee zijn Hendrick Verstralen en Mayken Deynoots, beiden in 1571 gedood. Het Liedboekje, hetwelk afzonderlijke signatuur heeft en op den titel hetzelfde jaartal en vignet draagt als het „Offer des Heeren", bevat insgelijks iets meer dan een der vorige uitgaven: behalve de liederen van nu. 4 en dat op de „twee vrome Christenen opgheoffert te Delft 1571" uit nü. 5, nog bovendien „Een Liedeken van XLI vrienden, binnen gent gedoot tusschen LX1I en LXIX" en een „van Gerrit Corneliszoon tot Amsterdam ghebrant An. 1571". Beide zijn insgelijks op hunne chronologische plaats ingevoegd. Aan het slot van het Liedboekje heet het: „Voleynt den vijfsten Novembris, Anno MDLXXVIII." Het is mogelijk, dat de drukker van deze uitgaaf n". 5 heeft gekend en daaruit dat ééne lied heeft overgenomen. Ook komen beide veelal in spelling met elkander overeen, zelfs in kleinigheden.

Al hetgeen n°. 6 meer dan n°. 4 heeft vindt men hierachter als bijvoegsel tot den herdruk van deze laatste uitgaaf.

Waar en door wien dit n°. 6 is bezorgd? Het vignet - een engel, die een doek van een altaar opheft; onder het altaar eene gekromde menschengedaante; het randschrift luidt: „<> heere hoe langhe en wreket ghij onse bloet niet ouer den gheene die opter aerden woonen Apocalip" - komt ook voor op den titel van de

Sluiten