Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan voorheen, na de onderwerping dier provinciën door Panna, „nae acht oft thien jaer doen het Pausdom wederom wat op sijn

voordeel quam", heet het fol. 282 r°.

Daar de signatuur van het geheele bandje doorloopt en dus het Liedboek na het „Offer des Heeren" gedrukt moet zijn; daar voorts op den titel van dit laatste van die bijgevoegde berichten over martelaars, in het jaar 1592 geofferd, sprake is en inderdaad op fol. 282 r» gezegd wordt hoe „de tyrannye van het Pausdom nu noch \.nno 1592. Jn Julius binnen Ghent op het s'Graven Casteel is ghebleken, al waer sy doen twee mannen persoonen met namen Meus Panten ende Michiel N. hebben geworcht en gedoot enz. : is het jaartal 1591 op den titel onjuist en is 1589 op dien van het Liedboek evenmin het jaar van dezen druk. Doedes, de ontdekker en vroegere eigenaar van het éénige bekende exemplaar van deze uitgaaf, heeft eene oplossing van dit raadsel aant de hand gedaan, „Studiën en Bijdragen" van Moll en Scheffer, I\ (187 ), bl 283 vgg.; de „Bibliographie", II, p. 492 vgg, eene andere Wie een vraagstuk als dit de moeite van het te overwegen waard acht, kan nog eene derde mogelijkheid aannemen, n.1. dat de drukker eene uitgaaf van 1589 (ons onbekend, maar zie boven bl. o) nadrukte en verzuimde het jaartal op den titel te wijzigen: hetgeen niets ongewoons zou zijn. - Deze uitgave heeft iets grooter letter dan al de vorige. Sommige vellen zijn verregaand slordig gedrukt; reeds op den titel werden, de lezer heeft het waarschijnlijk zoo even al opgemerkt, woorden uitgelaten. De voorrede is eenvoudig een herdruk van die van n». 6, 15786; alleen is aan het slot „op nieus twee ander daerbij gevoecht,' in „op meus vier ander enz." veranderd. Die twee meer zijn de bovenvermelde Mattheus (Remeus) Panten en Michiel N. De brieven aan en van den eerste, in dat bijvoegsel voorkomende, zijn in de beide latere uitgaven, n«. 10 en 11, weer niet opgenomen. In den inhoud is nauwlijks reden voor die weglating te ontdekken. Of vonden de drukkers dezer uitgaven, dat die martelaarsbrieven toch te ver beneden het gemiddelde gehalte der andere blijven P lk zou hun geen ongelijk geven. Eene andere verklaring, volgens welke Willem Jansz Buys in 1595 deze uitgaaf van 1592, door zijn eigen stadgenoot bezorgd, niet zal hebben gekend, is al zeer onwaarschijnlijk. Ik hoop aan het eind van dit deel die brieven op te nemen.

Sluiten