Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor die honden werpen", Mt. 7:6, in een brief van Hans van Overdam (1550), fol. 38 r°; „laet uw licht bernen voor die menschen", Mt. 5 : 16, bij Gielis Bernaerts (1559), fol. 217 r°. Het N. T., door Mattheus Jacobs 1554 en 1558 gedrukt '), heeft daar (evenals de bijbel van Biestkens, in 1560 verschenen): „laet uw licht lichten". Het is natuurlijk mogelijk, dat die briefschrijvers uit het hoofd aanhalen en hun dagelij ksch spraakgebruik volgen; ook, dat zij zich hebben vergist. Waarschijnlijk echter vind ik dit bij hun staan op het letterlijke woord der Schrift en hunne groote bijbelkennis niet. Ten opzichte van den verzamelaar hebben wij meer zekerheid. Hij gebruikte het genoemde X. T. van Mattheus Jacobs. Dit blijkt uit de vele bladzijden, die hij onder „De belydinge Stephani" uit Hand. 6:8 vgg. volgens die vertaling uitschreef, niet volgens die van Biestkens; en dit, terwijl toch de bijbel van dezen, in 1560 verschenen, reeds in zijne handen is geweest. Immers uit dezen alléén kan hij zijne aanwijzing van de uit het O. T. aangehaalde bijbelplaatsen hebben genomen. Wel heeft n.1. ook Mattheus Jacobs de tweevoudige indeeling van de hoofdstukken zoowel in verzen als met letters, die verder in geene nederlandsche vertaling dan in die van Biestkens voorkomt; maar hij biedt alleen het N. T., niet mede het O., en de dubbele indeeling wordt in de randteekeningen van n°. 1—5 en 7 van het „Offer des Ileeren ' bij den geheelen bijbel gevolgd. Eerst de uitgaaf van 15786 en die van 1590 met de latere lieten de letters weg en drukten „Matth. 5:1", niet langer „Matth. 5. a. 1".

De andere vraag, hierboven door mij aangestipt, om welke reden het „Offer des Heeren" de brieven en belijdenissen juist van dezen en dien martelaar wèl mag hebben opgenomen, daarentegen die van genen niet, levert, zie ik goed, geene moeilijkheid op. Die reden zal wel deze zijn, dat do uitgevers van n°. 1—4 niet meer brieven tot hunne beschikking hadden. Andere, later aan het licht gekomen, scholen in hun tijd nog in de gezinnen der geadresseerden; en wat toen reeds gedrukt was, bepaalt zich tot het

1) Mattheus Jacobs /ocht men vroeger, ook Ledeboer nog, te Amsterdam; hij was echter te Keulen gevestigd. Zie Moes, De Amst. boekdrukkers, bl. 205; ' verder Prof. Muller, Doopsg. Jaarboekje, 1837, bl. 52 vgg.; en vooral den vlijtigen arbeid van Van Druten, Geschied, der nederlandsche Bijbelvertaling, II, 529 vgg.

Sluiten