Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ende sy sal hem verschonen in die eewige wooninghe," fol. 264 v°. Alleen een enkel leerstellig denkbeeld houden sommigen uit kracht der traditie aan. Zoo b.v. de drieëenheid, die in fol. 137 r°, 142 v°, 205 r° en 218 r° voorkomt. Maar zij is, naar ik vermoed, daar een term geworden voor Gods ondoorgrondelijkheid; een term die, naar deze vier briefschrijvers meenden, beantwoordde aan de voorstelling van de Schrift en hun gold als de nu eenmaal geijkte uitdrukking voor Gods wezen. Wanneer b.v. een van hen, Jorian Simonsz., zijn zoon aanraadt: „clopt aen de duere zijnder (d. i. niet Gods, maar Jezus') heyliger drieuuldicheyt", fol. 137 r°, dan is het duidelijk hoe hij evengoed „zijnder heyliger majesteit" of iets dergelijks had kunnen schrijven.

Eén denkbeeld echter, dat een dogmatisch leerstuk mag heeten, keert, en geenszins als uitdrukking die zij maar aanhouden, in het „Offer des Heeren" in bijna ieders brieven terug: de eigenaardige oud-menniste menschwordingsleer; en verder naast deze hun gevoelen over den doop en over het avondmaal. Die menschwordingsleer is bekend. Zij meenden, dat Christus' reinheid zou aangetast zijn geweest, wanneer hij in eenige aanraking met iets aardsch en menschelijks had gestaan, en beweerden daarom dat hij wel in, maar niet van Maria was geboren. Ook kwam nun een wezen, God en mensch te gelijk, onverklaarbaar voor; dan vonden zij het nog begrijpelijker, dat de praeëxistente Christus bij de conceptie in een mensch was veranderd; en immers: „isset gelooue onbegrijpelijc", — dit had de pastoor tegen Adriaen Cornelisz. beweerd — „hoe connen wy dan salich worden?" fol. 109 r". Maar ook van die menschwording maken de martelaars in het „Offer des Heeren" zeiven geen ophef: zij maken uit eigen beweging, b.v. in de brieven aan de hunnen, daarvan zelden of nooit gewag. Alleen doordat zij telkens daarover verhoord werden en dus wel gedwongen waren hun gevoelen te staven, bekleedt dit punt in de brieven waarin zij aan de hunnen verslag geven van hetgeen hun wedervaart eene veel breedere plaats dan in hun eigen en hun ouderling godsdienstig leven het geval was. Zoo is het ook met den doop en het avondmaal. Daarover werden zij eindeloos door de rechters ondervraagd; daardoor komt het (Jan Geertsz.' brief is eene uitzondering) dat wij allerlei er over lezen. Adriaen Pan betuigt meer dan ééns op het berouw over zijne zouden gedoopt te zijn,

Sluiten