Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

buyc, ende door soete prekinge ende smeeckende woorden verleydon sy dc simpele herten, want ten is ons niet onbekent wat de Duyuel in den sin heeft, want de t üuyuel can hem verstellen in : een Engel des lichts, ist dan wonder of zijn Dienaers do ghcdaente hebben van buyten? O mijn lieue vrienden, een 4- dief en coemt niet dan om te stelen ende te moorden, // daerom schiet v dat ghy van haer niet verleyt en wort, ende also valt wt v eygen vasticheyt. Daerom * houdt dat ghy hebt, op dat niemant v Croone en neme, Ende 4- die daer staet, die sie toe, dat hy niet en valle, want t wat hebt ghy dat ghy niet ontfanghen en hebt, want 4- alle geestelijcke gauen ende volmaecte gauen comen van bouen vanden Vader des lichts, by welcke geen veranderinge en is noch wisselinge der duysternisse. Hierom vermaent malcanderen, mijn lieue Vrienden, alle dagen, so veel te meer als den dach Chnsti voorhanden is, * ende dat so lange alst heden genoemt wort, Ende siet doch dat ghy t voor malcanderen sorge draecht, ende ») en vraecht niet veel mijn lieue vrienden, na ander, als ghy by malcanderen coemt, of waer een yegelijck woont, maer in sulcke dingen zijt onwijs, ende 4- zijt kinderen inder boosheyt, mer int verstant zijt out, grijs, ende bewaert de * duere ws monts voor den genen die in uwen arme leyt. Mijn lieue vrienden, hebt i ghj verstant, so antwoort uwen naesten, maer is dat niet, so si v hant op uwen mont, opdat ghy niet geuanghen en wort in een onbeleeft woort, ende wort also beschaemt. 4- En laet geen vuyl geclap wt uwen monde gaen, maer wat nut is tot beteringhe, daer hel noot doet, ende salich sy om te hooren, ende en bedroeft der heyligen Geest Gods niet, met den welcken ghy bezegelt zijt, tol

2.Cor.ll.b.ló.

Toan. lO.a.lü. Fol. 101 r°.

Apo. 3. b. 11. * l.Cor. 10. b. 12.

1. Cor. 4. a. 7. + Jac. 1. b. 17.

Hebr. 3. b. 13. Gal. 6. a. 4.

l.Cor.l4.c.20. Mich. 7. a. 5. Eccl. 5. b. 14.

Epli. 4. c. 29.

i

1) Hetgeen nu volgt, de waarschuwing om toch niet te vee) »na ander (naar anderen of naar elkander) te vragen, komt ook lol. 35 r» voor in een blief van Hans van Overdam, maar vooral Adriaen Cornelisz komt daarop meermalen terug, o. a. 104 vo, 108 v». Waarvoor dit zoo noodig was, is duidelijk. De gevangenen werden geregeld naar naam en woonplaats van geloofsgenooten ondervraagd. Tegen de waarheid in onwetendheid omtrent deze voorwenden wilden zij niet. Weigerden zij de hunnen te verraden, dan kwamen zij op de pijnbank : onder de folteringen verloren zij licht de zelfbeheersching en lieten zij los wat zij wisten. Het éénige middel om een ander niet in gevaar te brengen was dus inderdaad niets naders van hem te weten. Vele gedonpten zorgden er dan ook voor, dat zij den naam niet keilden van den oudste die hen gedoopt had.

\driaen Cornelisz. komt op zijn raad om hierin toch voorzichtig te zijn meei dan eens terug, o. a. fol. 108 vo, gelijk hij ook het gelukkig zeldzaam voorbeeld biedt van een martelaar, die den schijn aanneemt alsof hij den rechter niet \eistaat en een ontwijkend antwoord geelt, fol. 104 r». Doelen misschien de uitdrukkingen hierboven: «hebt gij verstant" en «een onbeleeft woort" op dergelijke voorzichtigheid, een bewijs van Adriaens «cloecheyt" or eigenlijk slimheid (fol. 102 v»)'.'

Sluiten