Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Naar wat de liederen als liederen kenmerkt behoeven wij niet lang te zoeken. Het is echte rederijkerspoëzie, die wij hier voor ons hebben. Bij lange na niet in alle gedichten, niet in alle coupletten in den ongunstigen zin van het woord. Zeker, meer dan één dichter, wiens werk in onzen bundel voorkomt, ontbrak het aan meesterschap over taal en vorm. Dichterlijke smaak en kunstvaardigheid zijn soms ver te zoeken. Een lied als N°. 16, eene lijst van al de te Antwerpen tusschen de jaren 1555 en 1560 gedooden, is grootendeels niet veel meer dan rijmelarij. Maar dat lied is eene uitzondering. Om der wille van rijm en maat veroorloven de dichters zich echter wel eens de wonderlijkste woordenkeus en woordschikking of verwringen zij hunne volzinnen zóó dat deze soms bijna onverstaanbaar worden. Om dezelfde reden maken zij van stopwoorden als „saen, ydoone, bekent, vaet, wilt hooren" enz. meer dan eens een zonderling gebruik. Kunsteloos rijgen zij meestal hun verhaal en hunne opwekkingen aaneen: slechts een enkel lied heeft een referein. Zoo N°. 20 „Noyt grooter vruecht Die meer mijn hert verhuecht En oock verweckt tot duecht".

Men mag bij dit alles niet vergeten, dat wij hier, behalve in N°. 22, geene eigenlijk gezegde lyrische uitstortingen van eigen persoonlijk doorleefde aandoeningen, maar bijna uitsluitend verhalende of beschrijvende poëzie lezen; dat het voor de dichters er op aankwam de bijzonderheden van het gebeurde en vooral de woorden van de martelaars zeiven zoo nauwkeurig mogelijk in hun lied weer te geven — zulk een lied bood immers diens testament, diens uitersten wil, zijn afscheidswoord aan de zijnen, — en dat de eisch om hieraan te voldoen hunne taak als dichters niet gemakkelijker maakte. En tegenover al het opgenoemde staan geheel andere eigenschappen. Ja, deze dichters hebben soms iets van rijmelaars. Maar zij hebben toch blijkbaar gerijmd met het hart; en dit, ook al maken zij soms van reeds bestaande liederen gebruik (zie b. v. de aanteckening op fol. 23 r°: ook de eerste regel van N°. 22 is overgenomen). Zij zijn met ziel en zinnen vervuld geweest van de tooneelen, die hen tot dichten dreven. Al het kunstige en dikwijls gekunstelde van de rederijkers heeft bij hen plaats gemaakt voor iets beters: voor levendigheid, aanschouwelijkheid, warmte van echt en diep gevoel, dramatische voorstelling. Dat

Sluiten