Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet bequaem en ben om te lijden". Maar twee andere overwegingen wettigen het dat die brieven hier wegblijven. Vooreerst, dat Panten's dood meer dan twintig jaren na dien der laatste martelaars uit al de andere uitgaven valt, zoodat dus die brieven niet passen in het kader van den bundel maar ons in een geheel ander tijdperk uit het leven der broederschap verplaatsen. Ten andere, dat ook de latere uitgevers, die van n°. 10, 1595 en n°. 11, 1599, die brieven weglieten. Zij hebben dus het „Offer des Heeren" zonder deze volledig, en afgesloten geacht. Welnu, bij dat oordeel van de meest bevoegden sluit ik mij aan.

Nog veel gemakkelijker leg ik mjj er bij neer, dat de grenzen, aan den omvang van dit boekdeel gesteld, mjj verbieden hierachter ook de brieven te laten volgen van Joos de Tollenaar; brieven die wel, met dezelfde letter gedrukt en door denzelfden uitgever bezorgd, .achter eenige exemplaren van het „Offer des Heeren" n°. 11, 1599 zijn bijgebonden, maar die met hun afzonderlijken titel en nieuwe paginatuur kwalijk voor bestanddeel van het boekje zelf kunnen doorgaan. Ook geldt van deze brieven niet minder dan van die van Panten, dat zij ons in een geheel anderen tijd verplaatsen dan die, waaruit „Offer des Heeren" en „Lietboecxken" ons getuigenissen bieden. Het blijve er bij: met de uitgaaf n°. 6, 1578 b zijn beide bundels compleet.

Uit die uitgaaf is hier overgenomen wat in die van 1570 niet voorkomt, behalve de brief van de kinderen van Maeyken Boosers, die uit n°. 2, 1566, en het „Tottensangher", dat uit n°. 1, 1563 is afgedrukt.

Boven, bl. 20, is reeds opgemerkt, dat n°. 6, 1578 b de eerste druk van het „Offer des Heeren" is, waarin de randteekeningen de indeeling der hoofdstukken uit den bijbel naar letters weglaten en b.v. „Matth. 5. 1", niet „Matth. 5. a. 1" luiden. De „Twee schone Brieven" doen evenzoo.

II.

40

Sluiten