Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rijckdoiii des heyligen geests, daer door wy nu bewaert worden tot den eeuwigen leuen onder dit erch ende verkeert geslachte, desen eenigen eewigen God alder genaden, die beware v mijn alderliefste huysurouwe, ende suster in den Heere, mijn vleesch, mijn been, de liefste onder alle creatueren op aerden, want dat hebbe ick meer als eens voor de heeren bekent, al ware de gant//sche werelt mijne, die gaue ie daerom, dat ic mijne vrouwe ende kinderkens mochte behouden met goeder conscientien, maer om des Heeren wille moet ic nu al verlaten tegen natuere, de geest moet vleesch ouerwinnen. Och mijn Janneken, mijn schaep, hoe swaer valt my dat scheyden, van v ende de kinderen, och hoe diep ligt ghy my in mijnder herten gegrauen, dwelc my nv eenen grooten stnjt is, de Heere help my doch totter ouerwinninge te comen, op dat my de croone des leuens mach bereyt worden, met allen wtuercoren Gods heyligen, diet al achter gelaten hebben om des Heeren wille, och mijn lieue huysurouwe, mijn schaep, mijn lief, ick bedancke v wt het diepste mijnder sielen, van uwen troostelijcken brief die ghi my gesonden hebt, ende alle die daer raet oft daet toe ghegeuen hebben, dien moet de Heere zijn eewigo

Fol. 263 V.

van my ontfangen hebt en my een anderen send, soo stelt dit teecken onder uwen brief, dat onder desen staen sal, daeraen sal ick bekennen, dat gij mijn brief ontfangen hebt": Van Braght, II, 421. En Jan Wouters van Cuyck, 28 Maart 1572 te Dordrecht verbrand, schrijft (Sommighe Belijdinghen, 1579, fol. Fr»): »is't dat iemant de liefde drinct om een weynich te schrijven, .. doeter wat verwe in, bemorsseltet wat, te min sal men 'tmercken". «Schrijft gij my een weynich.., sentet met verf of wat cruijts enz."

De brieven van Hendrick met die van Maeyken zijn afzonderlijk uitgegeven waarschijnlijk 1571, zeker 1577 en 1579 (zie hierboven bl. 622) : Twee schone Brieven, geschreven door Hendrick Verstralen enz. In deze uitgaaf heeft de eerste brief niet meer dan één tekst op den rand, de druk in het Offer des Heeren twee, en deze bieden niets bijzonders; in de beide andere brieven zijn de randen vol teksten. In Twee schone Brieven volgen op de brieven een drietal liederen, naar den titel »by denseluen Hendrick Verstralen gemaect". Het eerste daarvan heeft in het LieVoecxken eene plaats erlangd en wordt dan ook hierachter afgedrukt: het komt nog in het Hoorns Liedtboeck van 1630 voor. Wackernagel heeft alle drie liederen opgenomen.

In de uitgaaf der Twee schone Brieven van 1577 staat bijna doorloopend „die" voor ide" en odeur" voor idoor". Het begin van den eersten brief is daar zoo gespeld: «Die oueruloedighe grote genade Gods die ons compt vanden Vader deur Christum zijnen eenigen Sone, ende die .. Gheests, daer deur .. gheslachte, desen eenighen eeuwighen Godt alder ghenaden, die beware u, mijn vlees, mijn been, die .. voor die Heeren bekent, al ware die gantse werelt mijne, die gaue ick .. met goede conscientie ..".

De hier gevolgde uitgaaf, n<>. 6, 1578 6 spelt zoowel in deze brieven als in de liederen uit het Lietboecxken in den regel »Gent", «gegeuen", n'twelck", »nat", »sy"; 'tgeen in de latere drukken in «Ghent", «ghegeuen ', »'t welck", «na t , »zij" is veranderd.

Sluiten