Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fol. 267 v. 1 Psalm. 30.

Psa. 55. 23.

Psa. 77. 2.

Ecc. 35. 28.

Paal. 77. 2. Psa. 34. 18. Psa. 51.19.

1.Cor. 7. 29.

Hebr. 1. 11.

2.Pet. 3.11. Rom. 8. 28.

iinderkons het beate, de // Heere sal v wel besorgen, die den wilden Esel als hy crijscht van dorste inder woestjjne zijn voeder gfeeft, ende den iongen rauen spijst, die tot Godt roepen, als Dauid seyt, die sal v ooc spijsen mijn lieve schaep, als ghi met mijn ionge weeskens, ghy mijn weduwe, mijn wtuercoren schaep tot Godt crijschen snit, al vallen uwe tranen hier opter aerden, sy en sullen niet af laten voor dat sy door de woleken dringen ende voor Godt verschijnen, dan sal v troost gebeuren, gelijc Dauid seyt, als de ellendige roept, seyt hy, dan hooret de Heere, ende hy helptse wt allen haren nooden, Ja de Enghel des Heeren legert hem rontom dien, die hem van herten vreesen. O mijn lieue huysurouwe, denckt op Paulus woort, de tijt is cort, Tck soude v gheerne sparen, seyt hi, die daer gehouwet zjjn, moeten zijn oftse niet gehout en waren, aldus mijn lieue suster inden Heer, Janneken Verstralen, het eynde van allen dingen is nu na by gecomen, seyt Petrus, den Hemel sal in een gerolt worden, ende sal als eenen roock vergaen, de Elementen sullen van hitten smelten, o hoe moet ghy dan geschickt zijn met een heylige cuysche wandelinge. O mijn lieue Huysurouwe, dat woordeken ') heeft my somtijts verschrict, om mijn arch quaetwillich vleesch

l.Pet. 4.12.

Mich. 7.9. Eccl. 2. 22.

Susa. 25. Fol. 268 r°.

Jacob. 5. Jud. 8. 24. Jndith. 7.

Sach. 13.1

l.Joan. 1. 2 l.Pet. 1.18

wille daer ic mede behangen ben, maer ick trooste my aaer mede, dat my God door castijdinge louteren soude int vier der droeffenissen, ende also mgnder genadich zijn, want ick hebbe zijne waerheyt also bemint, al heeft my swackheyt aenghehanghen, dus wil ick nu metten Propheet Michea segghen: Ick wil gheerne des Heeren toorne draghen, want ick hebbe my aen v besondicht, ende met Syrach: Ick wil lieuer inde handen des Heeren vallen, dan inde // handen der menschen, want zijn bermherticheyt is soo groot als hy selue is, hy vergheeft de sonden, ende hy helpt inder noot, hieromme mijn lieue huysurouwe zijt doch lijdtsaem in onser beyder druck, wilt doch met Judith bekennen dat onse straffinghe noch minder is, dan onse sonden, ende hy helpt inder noot, want die hem voor den Heere verootmoedicht, zijn sonden bekent ende laet, die sal bermherticheyt vercrijgen, dan diese verbercht, dien en salt niet gelucken. Maer ist dat wy . den Heere onse sonden bekennen, so ist God diese ons vergeeft, want wy hebben een vry open fonteyne, als Sacharias seyt, teghen , de sonde ende onreynicheyt, dats Christus Jesus, die ons met zijnen . dierbaren bloede gecocht heeft, want dat bloet ons liefs Heeren Jesu Christi, dat maect ons reyn van allen onsen sonden. Siet mijn

1) Het woordje «kuiseh" ? Slaat daarop het «kwaadwillig vleesch", waarmede hij behangen, d.i. bezwaard is, een regel verder? Zie aanteekening 1 op fol. 263 r».

Sluiten