Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laas II') en een ander van Paschalis II 2). Tegen het beweren in laatstgenoemd stuk, dat alle conciliën slechts gehouden zouden zijn met machtiging van de kerk van Rome en van haar geldigheid zouden hebben ontvangen, komt hij op3). Vrienden en vijanden hebben aanstoot genomen aan dat gedeelte zijner stelling, waarin gezegd wordt, dat de pauselijke dekreten, waarop men zich beroept, niet ouder zijn dan vierhonderd jaren en dat zij indruischen tegen de welgestaafde geschiedenis van elf eeuwen. Aldus had hij zich ten minste uitgedrukt in de afzonderlijk openbaar gemaakte „Dertien Stellingen". In de herhaling van de Dertiende aan het hoofd van dit geschrift heeft hij die woorden: „niet ouder dan vierhonderd jaren" weggelaten 4). Maar in het derde deel der verhandeling komt hij er op terug. Hij heeft zeer wel geweten, dat in dekreten van Roomsche pausen reeds duizend jaren geleden voor dit primaat gestreden is. Maar hij heeft het oog gehad op Gregorius IX, Bonifacius VIII en Clemens V. Als zij die brieven niet voor den dag hadden gehaald, ze niet met weglating van allerlei stukken en toevoeging van andere hadden samengeflanst, niet dekretalen op dekretalen hadden gestapeld, niet dat alles hadden overgegeven om in de scholen uitgelegd en gecommentariëerd te worden, zouden er thans niet zoovele zeeën van glossen bestaan en de kerk zou er wel bij varen 5). Met de welgestaafde geschiedenis van elfhonderd jaren heeft hij dit bedoeld, dat de kerk van Rome nooit geweest is boven de kerken van Griekenland, Afrika en Azië, en dat zij de bisschoppen dezer kerken nooit heeft bevestigd. Nog zijn er Christenen in het Oosten, maar hunne bisschoppen worden niet van Rome uit aangesteld 6). Herhaaldelijk spreekt hij van de rechten der kerken, die niet door Petrus, maar door andere apostelen gesticht zijn. Naar de uitlegging van Iliëronymus blijkt uit de Schrift, dat oudsten (presbyters) en opzieners (episcopi) aan-

1) Can. Omnes. 1. D. 22; in het Corpus iuris eanonici, ree. Friedberg, Lips. 1879, P. I, col. 73. Luther, Ibidem, p. 328—333.

2) c. 4. X. de electione (1, 6); bij Friedberg, P. II, col. 49 seq. Luther, Ibidem, p. 340-348.

3) Luther, Ibidem, p. 347.

4) Men vergelijke de teksten bij Lösclier, Reformations-Acta, T. III, p. 213 en 123; in Lutheri opera latinn, Vol. III, p. 17 en 299.

5) Luther, Ibidem, p. 362.

6) Luther, Ibidem, p. 362.

Sluiten