Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

treedt de paus, die in het Leuvensche vonnis wordt doodgezwegen, hier op den voorgrond '). Tegenover Luther betoogende dat de paus wel degelijk elke schuld en straf, ook die in het hiernamaals, vergeven kan, stelt hij als axioma voorop, dat de macht van den paus volmaakt dezelfde is als die van Christus, den Heer2). Bij de bestrijding van Luther's „De potestate papae" tast hij echter geheel mis. Hij meent dat Luther den paus het primaat over de Christelijke kerk heeft ontzegd3), terwijl deze in bedoeld werk immers slechts heeft beweerd, dat het niet berustte op goddelijk recht. Flad hij het boek misschien niet of slechts oppervlakkig gelezen? Hetzelfde verschijnsel doet zich trouwens ook op een ander punt voor, nl. dat hij Luther kwalijk heeft begrepen en dat de slagen, die op den Hervormer gemunt zijn, bezijden dezen neerkomen. Dit geschiedt bij de bespreking van de sacramenten, inzonderheid van dat der boete 4). "Wel zeer moeilijk moet het geweest zijn bij mannen van zoo uiteenloopende denkwijze elkander juist te verstaan en naar behooren te waardeeren. Luther acht de gehoorzaamheid aan God, die niet uit liefde, maar uit vrees voor straf geboren wordt, niets dan eene afschuwelijke huichelarij. Van Ziehem houdt het er voor, dat de gehoorzaamheid van de meeste Christenen uit geen andere oorzaak voortkomt en vindt er niets kwaads in. Integendeel ; zelfs een rechtvaardig en heilig man wordt volgens hem soms door vrees opgewekt tot hooger deugd 5). "Waar men op zulk een allesbeheersehend punt zooveel van elkander verschilde, moest daar onderlinge bestrijding niet bijna onvruchtbaar zijn? Men gevoelt, dat de menschheid zich op een tweesprong bevond, dat zij moest kiezen tusschen rechts en links, den weg door het dal en het bergpad.

Reeds in de eerste bladzijden van zijn geschrift stelt Van Zichem het gezag tegenover het individueele inzicht. Dat Luther begeeren zou licht van andoren te ontvangen, wordt niet aangenomen; daar-

1) Eustachius de Zichenis, Ibidem, C, fol. ijr, iijr; hierachter, blz. 240, 242.

2) Eustachius de Zichenis, Ibidem, F, fol. iyv; hierachter, blz. 261.

3) Eustachius de Zichenis, Ibidem, I, fol. i'; hierachter, blz. 27G.

4) Eustachius de Zichenis, Ibidem, C, fol. ir; hierachter, blz. 239. Vergel. B, fol. iij»—iiij» (alleen de eerste helft van Luther's stelling wordt aangevallen); D, fol. i', ijr; E, fol. i'; hierachter, blz. 237—239, 240 vlg., 251 vlg.

5) Eustachius de Zichenis, Ibidem, H, fol. iiij'1 en »; hierachter, blz. 274.

Sluiten