Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

angeschreven syn". Dus is het avondmaal volgens den schrijver voor den geloovige eigenlijk overbodig? Neen: want het dient hem in ieder geval tot zelfbeproeving, hoe dicht hij sta aan het ware vleesch en bloed van Christus, of hoe ver hij nog daarvan verwijderd zij. Zoolang nl. het echte vleesch en bloed Christi in ons nog niet „de overhand heeft", zijn wij nog „op een afstand van" het bezit daarvan, moeten wij nog verdoemenis onzer ziele dragen, doordat de heerschappij der zonden in ons leeftJ). — Het avondmaal dient verder (en dit terwijl het, zie boven, „ein bedroch" is en verhardt) evenals de hoorbare prediking om ons verder te brengen. Het heeft dus tijdelijke, paedagogische waarde. Maar: „jn dat tydelick isz niet hier to blyuen"2). Blijkbaar wordt het in de kringen, waaruit het boekje stamt, nog gevierd; er is „gein groter overtredynge dan dat mit unweirdicheit an te nemen"3). Niet alleen zij, die „noch jn unklaarheit hoerer sielen syn.... soeeken doer die sichtbare gemeinschap" (hun heil), maar ook die wèl verlicht zijn houden het nog, zij 't ook onverplicht4).

Zoo vertegenwoordigt onze schrijver die strooming, die wel aan den eenen kant te spiritualistisch is om aan de waardij van het onderwijzende woord en van uitwendige plechtigheden als zoodanig te gelooven, maar die toch aan de andere zijde het heil niet losmaakt van het historisch gebeurde, liet in de Schrift verhaalde omtrent Christus. Datzelfde geldt nu van zijne denkbeelden over de kerk. Reeds bij het tot dusver besprokene denkt men onwillekeurig telkens aan Schwenckfeld, volgens wien ook Jezus' vleesch en bloed te ontvangen in geenerlei verband met het avondmaal stond en die toch dit laatste als dankzegging, als „gratias", niet afkeurde, al vond hij 't beter zich voorloopig daaraan te onttrekken. Maar als onze schrijver over de kerk spreekt, herinnert hij nog meer aan den begaafden Sileziër, die trouwens in klaarheid van betoog en helderheid van stijl verre zijn meerdere is. „Eyn jeder christen isz schuldich to halden mit die sichtbare keircke jn deser tyt, totdat him upgedaan werdt die unverganckelicke keircke der

1) Rechte Bedijnckung, quat. H, vijf.

'2) Aldaar, quat. J, vv.

3) Aldaar, quat. H, v*.

4) Aldaar, quat. J, injr.

Sluiten