Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der materie partie ende der oproeringe int rijcke gods" '): scheurmakerij dus, afzondering van en verzet tegen „de kerk". Het ergste, wat Butzer in dit opzicht aan Hoffman verwijt, is dat deze door zijne prediking van den geloofsdoop „twist, tweedracht ende onminne onder Christus volk makende is en daardoor" — 't is waar, eene zonderlinge redeneering — „oorzaak is van zoo veler marteldood" 2). Inderdaad, al predikte Hoffman een spoedig aanstaanden ommekeer, waarbij de goddeloozen zouden ondergaan, en al mocht dit, niet onnatuurlijk, de straatsburgsche overheid en mannen van de overheidskerk ongerust maken voor de mogelijke gevolgen dier prediking: nooit had hij één woord gesproken, waarop zijne volgelingen zich konden beroepen voor de bevoegdheid om zeiven de hand aan het zwaard te slaan en zeiven die straf aan de wereld te gaan voltrekken. Ook had hij nooit kwaad geprofeteerd over Straatsburg, „het geestelijke Jeruzalem", wèl steeds de overheid dier stad geëerbiedigd en ook aan de zijnen aanbevolen zoo te doen. En eveneens verwart Butzer geenszins Hoffinan's gevoelen met hetgeen als Denck's groote ketterij gold, dat n.1. ten slotte alle menschen zouden zalig worden 3). Hij laat niet onvermeld, hoe ook volgens Hoffman sommigen door God worden verstokt 4). Wat Hoffman's persoon betreft: hoewel deze z.i. „swaerlick in des sathans banden leggende is" 5), toch wil hij met zijn geschrift „disen armen menschen nit beschweren sonder die kinder Gottes erwarnen" 6). En over de voorstanders van den geloofsdoop heet het: „Doch wollen wir die umb Christus willen" — en er is sprake van de anabaptiste martelaars — „obwol im jrthumb des widertauffs gestorben seind, hiermit keins wegs verkleynen" "). Trouwens Butzer moest wel over die Anabaptisten zachter oordeelen dan b. v. Zwingli of Melanchthon. Hij verzwijgt het ook in de „Handlung" niet, in hoe velerlei opzichten hij niet zoo lijnrecht tegenover hen staat als andere Protestanten doen. Hij gaat tot zekere hoogte mede met de

1) Die handelinge, quat. 1 ij». 2) Aid., quat. k vijf en ».

3) Handlung, quat. Hij'; Die handelinge, quat. fvijr en de aanteekening

aldaar; quat. g iiij".

4) Aid., quat. h ijr aan 't slot en g».

5) Aid., Quat. Ij».

6) Handlung, quat. Lvj'; Die handelinge, quat. lij»; ook quat. b v». Natuurlijk is „arm" hier eene uitdrukking van meewarigheid met minachting gepaard.

7) Aid., quat. Liiyv; Die handelinge, quat. k vy<\

V. 14

Sluiten