Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bedoeld, blijkt uit de gezegden cn geschriften, die Pastor van N. vermeldt. Menno „meed" ook na 1547 Pastor niet, die zich nog in 1552 volgens het „ Vnderscheit" niet anders dan als Doopsgezinde voelde en ook niet anders beschouwd wilde worden '); gelijk hij van zijn kant aan den beneden-Rijn 2) als oudste werkzaam bleef.

Wat Pastor's invloed en de nawerking van zijn arbeid aangaat: de gemeente, die bij zijne gedwongen afscheiding van het geheel der broederschap hem is gevolgd, is volgens Nicolai niet zoo heel klein geweest3). Ook Johannes Anastasius stelt in „Der Leken Wechwvser" (1554) hem en Menno als hoofden van partijen op ééne lijn 4). Evenzoo Cassander in de „Epistola dedicatoria", die aan zijne uitgaaf van „Beati Vigilii Martyris Opera" (Coloniae, mdlv) voorafgaat: „Duo hodie inter Anabaptistas quasi in civili bello praecipui duces extiterunt, Simon Menno et Adam Pastoris"5). Maar hij treedt in de godsdienstige bewegingen in de broederschap verder weinig op den voorgrond en wordt later in geschrifte even zelden uitdrukkelijk aangehaald als bestreden. Dit laat zich gemakkelijk verklaren. Tijdens den strijd over gemeente, ban, doop, die al meer aller aandacht geheel in beslag nam, had men voor de denkbeelden van het „Vnderscheit", die anders in ons oog vrij wat belangrijker zijn, weinig belangstelling meer, en ... Pastor stond immers buiten „de gemeente Gods"? Maar bovendien: voorzichtig als de leden der broederschap waren (de vervolging had hen dat wel gemaakt), hebben zij zeker alles vermeden wat al te veel de aandacht er op vestigen kon, hoe in hunne gemeenten zulke bedenkelijke ketterijen voorkwamen als de loochening van de drieëenheid was. Zoo werd Pastor om utilistische overwegingen in gedrukte geschriften liefst doodgezwegen. Menno noemt zelfs in zijne „Belijdinghe van den drieëenigen Godt", die van 1550 dagteekent, Pastor niet, maar spreekt van „sommigen, die van ons zijn uitge-

1) Zie deze Inleiding, bl. 339 volg., 354 volg. hierna.

2) Waarop de meening van Scheller, a. w., bl. 19, rust, volgens welke Pastor te Odenkirchen gevestigd was of geweest was, weet ik niet.

3) Nicohi-Bullinger, a. w.. bl. 136 d.

4) Jo. Anastasii, Der LeTcen Wechwyser, fol. ccviij' en ccx »; herdrukt in de Bibliotheca reformatoria Neerlandica, Deel iv.

5) Oeorgii Cassandri Opera, Parisiis, 1616, p. 455. Zie ook aldaar p. 577, in den Commentarius de duabus in Christo naturis et unica hypostasi, adversu» haereses hujiis aetatis. Deze bestrijding geldt evenzeer Pastor als Menno.

Sluiten