Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voerd te Olderssum. Eigenlijk had hij het spreken aldaar willen overlaten aan zekere medestanders van hem; maar door de tegenstanders in de engte gedreven, heeft hij zich genoodzaakt gezien, trouwens zonder succes, zelf het woord te voeren '). Maar in het twistgesprek te Groningen heeft hij zich persoonlijk wellicht evenmin gemengd als Willem Frederiks. Wel heeft degene die de uitgave der „Disputatio" van 1614 bezorgde, gemeend dat hij bedoeld zal zijn met het herhaaldelijk voorkomende „Magister noster"2), en anderen hebben dit nageschreven. Maar het bewijs hiervoor ontbreekt. Ook andere mannen uit het Dominikanerklooster kunnen met dien titel bedoeld zijn. Wie bekend is met de beteekenis welke in dien tijd aan dezen beleefdheidsterm placht gehecht te worden, zal het niet wagen er in dit geval eenige gevolgtrekking voor de aanwijzing van een bepaalde figuur aan te ontleenen 3). Verder zijn alle personen die hier van de Dominikanerzijde optreden, „anonymi". De bezorger der uitgave van het j. 1614 meent te weten, dat de „lector" broeder Ludolphus moet geweest zijn en de „supprior" Pittinck zal geheeten hebben4). Waarschijnlijk is dit juist5). Maar dit verandert niets aan het boven gezegde, dat de eigenlijke woordvoerders in het twistgesprek overigens onbekende personen zijn.

De hierachter geboekstaafde handelingen van het twistgesprek bezitten in het geheel niet het karakter van notarieele akten. Uit niets blijkt, dat, evenals bij het vermaarde dispuut te Leipzig tusschen Luther en Eek, door opzettelijk daartoe aangestelde officieele personen het gesprokene woordelijk werd opgeteekend. Het verslag dat ons voorgelegd wordt, is blijkbaar de vrucht der werkzaamheid van een of meer ijverige toehoorders, die, wat hun belangrijk toe-

1) Ubbo Emmius, Rervm frisicarvm historia, Lvgd. Bat. 1616, p. 837 seq. De akten van dit twistgesprek komen vertaald voor bij E. Meiners, Oostvrieschlandts kerkelyke Geschiedenisse, Gron. 1738, Dl. I, blz. 479—574.

2) Disputatio habita Groningae, Gron. 1614, quat. A, fol. 6 r.

3) Vergel. beneden, blz. 541, 572.

4) Ibidem, quat. A, fol. 6

5) Eene in de 18l|c eeuw opgemaakte „Lij9t van priors, suppriors en kloosterlingen" vermeldt op het j. 1522, en op het j, 1523 „P. Ludolphus Eminga'' als S. Th. lector (eene waardigheid, waarmede ook Laurentius Laurentii voorkomt). Bij het j. 1516 wordt vermeld: „P. Arnoldus Pytinck, supprior usque ad 1523". Maar bij 1523: „P. Joannes Koyter, supprior". Deze lijst bij G. A. Meyer, a. w., blz. 326.

Sluiten