Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de pijnbank te Vilvoorden afgelegd, die daarin „Obbe, een priestersz. geboren vuyt Westvrieslant", vooraan onder de „principale doopers" noemt1); en eindelijk eene plaats in de „Korte Beschrijving hoe het met de Doopsgezinden is gegaan van 1522 tot 1647 toe", die wel eerst in dit laatste jaar is opgesteld, maar door een hoogbejaard man en die aan de opteekening van 'tgeen hij bij mondelinge overlevering wist een brief van „een ouden duitschen leeraar, dien hij nog gekend had", laat voorafgaan. In dezen brief komt o. a. voor, dat Obbe de eerste is geweest, die sterk de mijding dreef2); 'tgeen door Carel van Gent, „Beginsel en voortganck", bl. 13, wordt bevestigd. Ten laatste kan men over een bundel traktaten, te Rostock bewaard en die evenals de bezorging van eene rostocker uitgaaf van de „Van den Vos Reinaerde" ten onrechte aan Obbe is toegeschreven, Sepp, Verboden Lectuur, 1889, bl. 247 vgg., raadplegen.

Uit meer dan ééne bladzijde van de „Bekentenisse", o. a. uit quat. B ij r, blijkt duidelijk, hoe onjuist de meening is, het eerst, voorzoover ik weet, door Florimondus Raemundus 3) uitgesproken en later door Kornelius van Huyzen 4) en Schijn 5) herhaald, als zou Obbe na zijn afval tot de roomsche kerk zijn teruggekeerd. Veeleer heeft Hoornbeek juist gezien, die 't het waarschijnlijkst acht6), dat hij een Libertijn is geworden, een geloovige, die buiten iedere kerk staat. Dit wordt bevestigd door den „liefhebber der waerheydt", die de „Bekentenisse" voor het eerst uitgaf en van een voorbericht voorzag. Deze wist volgens quat. A iiij v blijkbaar heel goed, of Obbe na zijn afval bij eene of andere kerk en, zoo ja,

1) C. A. Cornelius, Die niederlandischen Wiedertaufer wührend der Belagerung Munsters 1534 bis 1535, Munchen, 1869; S. 60.

2) De Hoop Scheffer heeft deze „Korte Beschrijving" naar een 18'le-eeuwsch afschrift daarvan, dat op de Doopsgezinde Bibliotheek, Inventaris, deel I, No. 739, berust, in de Doopsgezinde Bijdragen van 1876 bl. 13—41 afgedrukt. De plaats, in den tekst genoemd, komt daar voor op bl. 20, 21.

3) Historia de ortu et progressu haeresium XVI saeculi, aucta e Casp. Ulenbergii scriptis. Col. Agr. 1655; lib. II, cap. VI. Zie Johannis Hoornbeek, Summa Controversiarum. M.DC.LVIII; p. 351.

4) Historische Verhandeling van de Opkomst... der Doopsgezinde Christenen. Door Kornelius van Huyzen, Leeraar te Embden. Tweede druk, 1734; I, bl. 26 vg.

5) Historiae Mennonitarum plenior deductio. Amstelodami, 1729; p. 45. Maatschoen echter liet in zyne vertaling en omwerking van Schijn dit bericht weg.

6) Zie aant. 3 van deze bladzijde.

Sluiten