Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deelen, dat zij er aan denken kan zulk een werk, hoe verdienstelijk het voor 't overige moge wezen, op te nemen en niet veeleer verplicht zou zijn alle beschikbare ruimte te bewaren voor geschriften, waarvan de uitgaaf veel dringender noodig is wegens haar grootere belangrijkheid voor de kennis juist van ónze hervormingseeuw en wegens hare grootere zeldzaamheid.

Over den schrijver der inlasschingen, Gerhardus Nicolai, kan ik korter zijn. Noch zijn eigen werk noch Malet's Opdracht deelen iets over hem mede. Reershemius, „Ostfrieslandisches Prediger Denkmal"2, Aurich, 1796, S. 243, heeft over hem een beknopt bericht en verwijst verder naar het landsarchief te Aurich. Meer wordt geboden door Meiners, „Oostvrieslandts Kerkelyke Geschiedenisse, 1739, Twede deel", bl. 392 vg. Wat deze over Nicolai mededeelt is grootendeels in vertaling overgenomen uit „Gründtlicker Warhafftiger Bericht: Yan der Euangelischen Reformation, der Christlicken Kercken tho Embden vnde in Ostfrieszlandt ... Gestellet Dorch de samptlicke Dener Christi ... darsüluest. Gedruckt tho Bremen, By Berendt Petersz. Anno 1594''; S. 406, 407 '). Maar veel levert ook dit bericht niet op. Met name niets, waaruit blijkt, of Nicolai eene bijzondere aanleiding heeft gehad en, zoo ja, welke, om tegen het Anabaptisme te schrijven. Ik heb mij dus om meer inlichtingen gewend tot Prof. Ritter te Emden en Geheim Archivrath Dr. Fr. Wachter, Director van het Staatsarchief te Aurich. Beiden hebben zich veel moeite gegeven, eene moeite die ik niet genoeg kan waardeeren, om ten mijnen behoeve op te sporen, waar misschien in bescheiden uit Nicolai's tijd berichten over hem zouden te vinden zijn. Dr. Wachter riep daarvoor de hulp in van twee bekwame beoefenaars van de kerkgeschiedenis van hun vaderland: de predikant Garrels te Marienhafe en de Heer Rijkena te Norden, de meest deskundige in alles wat het verleden van deze stad betreft en die een rijken schat van

1) Dit geschrift, dat beoogt van de emdensche en vele andere oostfriesche ge¬

meenten te bewijzen dat zij van den aanvang der hervorming af „gereformeerd" (d. i. in Oostfriesland : zwingliaansch) en niet luthersch zijn geweest, is, naar het schijnt, het werk vooral van de predikanten Menso Alting en Ger. Geldenhauer. Het tegendeel moet van luthersche zijde in geschrifte beweerd zijn, vooral door den bekenden ijveraar Ligarius.

Sluiten