Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christen is, die raedt oft soeckt oock eens anders profijt met zijn eyghen schade: het is dan verre dat hy yemant soude willen bedriegen. Ende de liefde gelooft soseer alles, ia en mistrout soseer niet, datse ooc dinghen die niet al te eerlic en zijn, sooveel sy ymmers can, ten besten neemt ende beduydet. Maer met dese maniere souden nu vele knoopen ende questien connen ontbonden werden, soo wy verstaen dat Christus niet simpelic dit verboden heeft, dan op sulcker maniere, ghelijck die met den ghemeynen ghebruyck der menschen geschieden. Also heeft hy verboden toornich te zijne, so heeft hy verboden niemant op eenen wech te groeten, Soo heeft hy verboden rijcke te worden, So heeft hy ver-// Fol. 229. boden den quaden tegen te staen, So heeft hy verboden gheen Meesters ghenoemt te werden, Soo heeft hy verboden een Vader op der aerden te noemen etc. Dus verre Erasmus. Melanthon in zijne Annotatien op het 5. Capittel Matthei, gedruckt Anno 1523. seydt aldus1).

Ten eersten, ghelijck de Wet de affectien, lusten, oft aenuechPhilippus tingen bedwingt, alsoo verbiedt Christus hier oock den lust oft de Melanthon aenuechtinghe om te sweeren, dat wy oprecht ende eenuoudich Itc"eren^en van 'lerten sullen zijn, gheen quaet vermoeden, dat wy gheeren 2) MennoSi- andere sullen geloouen, ende niemant den Eedt en sullen afdwinmons. ghen. Ende dat wy seluen niet wilden sweeren, om die eerweer-

dicheydt wille der goddelicker Maiesteyt, voor de welcke wy niet en connen loghenaers zijn. Siet dat geuen de naeruolgende woorden te kennen, te weten: wat daer ouer is, dat coemt wt den boosen. Daer naer, welcke daer verboden werden, zijn sommige3) van natueren so boos, datse niet wel en connen gheschieden, gelijck daer zijn Ouerspel, Hoererije met zijn maechschap, oft die van zijn eygen bloedt zijn etc. Sommige aengemerct4) zijnde met dat hooge ghebodt Ghy en sult niet dooden (daermede Godt wil, dat de misdaders sullen ghestraft werden5)) die mogen6) wel geschieden.

1) In het Corpus Beformatorum, Melanthonis Opera, Vol. XIV, zijn op p. 529 sqq. deze Annotationes van 1523 herdrukt. Daarin is echter de aanhaling, hierboven in den tekst opgenomen, niet te vinden. Wel komen daarin op p. 606 sqq. de bladzijden van Melanthon voor, die door Nicolai op de volgende folio's, 229 b en vgg., zijn aangehaald, maar die deze, volgens zijne randaanteekening aldaar, aan een ander geschrift van Melanthon, „156." uitgegeven, zal hebben ontleend.

2) „Gheerne". 3) Niet personen, maar verboden dingen.

4) „In verband gebracht". Misschien : „aangeduid".

5) Waarschijnlijk bedoelt Melanchthon : wie Gods hoog gebod overtreedt en misdadiger, in dit geval doodslager, wordt, dien treft wél naar Gods recht de doodstraf, juist omdat het misdrijf van te dooden door Hem zoo nadrukkelijk verboden is. Zoo derhalve, dat er gevallen denkbaar zijn, waarin doodslaan en eveneens zweren,

die verboden zijn, nochtans ter wille van hoogere overwegingen wél plaats grijpen :

tgeen alleen niet geldt van de gruwelen, in den vorigen volzin genoemd, overspel en hoererij met eigen maagschap. 6) D. i.: kunnen.

Sluiten