Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te houwen ende te pionderen. Aldus is vervult geworden 'tgeen Esaias cap. 34. seyt: Zy hebben eenen grooten brandt ontfangen, ende hebben stroo getelt, &c. Als zy nu haer voornemen meenden te volbrengen, heeft Godt haeren aenslagh verstoort. De Christenen, neffens veele andere mannen die sich bekeert hadden, hebben drie Sonnen te gelijk sien schijnen, vyerige woleken om ende over de Stadt opgaen, alsoo dat de Christenen meenden dat de Domhuysen ende alle huysen der Stadt daer omtrent verbranden. Doen zijn de godloosen verschrickt geworden, sonden [aen ons] om verdragh '); de Drosten, Dom-papen ende Boeren packten sich uyt de Stadt, de godloose inwoonderen van de Stadt verstrooyden van malkanderen ende gingen [elck] nae sijn huys: onderwijlen sprongen de Christenen van vreughde gelijck zy altijdt ghedaen hadden, en hare aengesichten bequamen een blyde verwe. Ooek propheteerde het op de markt al wat daer was, tot de kinderen van eeven jaren toe, wy houden datter in korten tijdt geen grooter vreughde op aerde bedreven is; doch de godloosen seyden, zy raesen, zy zijn vol soeten wijns, &c. 's Anderen daeghs, en vervolgens tot den tweeden vrydagh in de Vasten, begonden de inwoonende godtloosen haer goederen te packen en te vertrecken, en alsoo het hun binnen de Stadt misluckt was, hebbense van buyten vrede 2) gemaeckt.

Hier mocht nu iemandt by sich selven dencken, nae dien het den Christenen toestaet te lijden, hoe wy dan hebben durven de Wapenen ter handt nemen P Hier op neme de goedthertige dit beMat. 23. richt: Eerstelijck, datter een tijdt en tal des cruyces gestelt is, Psal. 175 3). ende der gevanckenisse Baby (ons, in welcke de godtloosen haere mate vervullen moeten: daer is oock een tijdt der verlossinge, in welcke den godloosen vergolden, en met gelijcke, jae dubbele mate sal toegemeten worden. De Propheten ende Christus verwijten den Joden, datse den tijdt harer besoeckinghe niet bekent en hebben: Mat. 15. daerom moetmen scherpe acht nemen op den tijdt, op dat men Luc. 19. njej8 |.en ontjj(je by (]er handt neme ofte toe en laete. Nu heeft ons Godt geleert, dat wy beyde uyt de schrift ende gesichten bl. 72 speuren konnen, // dat het nu de tijdt is der herstellinge aller vroomen, dat nu de tijdt is der erffenisse die de Heere sal verlossen, ende in zijn rijck en schuere versaemeien, ende des godloosen

1) „Zonden aan ons afgezanten om een verdrag of vrede te verzoeken''.

2) „Vrede" is onverstaanbaar, maar is ook eene averechtsche vertaling. Het platduitsche origineel zegt: „hebben se van buten eine veede angeuangen". Voor „vrede" leze men dus: „veete", strijd.

3) Natuurlijk foutief.

Sluiten