Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verrassing gevangen te nemen. Maar Cooltuyn, van dit plan heimemelijk verwittigd, redde zich door de vlucht. „God", zoo zegt hij, „heeft mij door zijn Engel verlost" ').

In het jaar 1558 vinden wij Cooltuyn te Emden 2). Groot was zijne blijdschap over de veiligheid, die daar zijn deel was 3). Geen wonder, na zoovele schokkende ervaringen!

Zijne goederen te Alkmaar werden bij vonnis van 7 Feb. 1559 verbeurdverklaard. Zij brachten na aftrek van de schulden 175 gulden op, welk bedrag in de koninklijke schatkist vloeide4). Wegens zijn overhaast vertrek was hij niet in de gelegenheid geweest voorwerpen van eenigen omvang mede te nemen. Omtrent zijn verblijf te Emden, waar hij weldra predikant werd, deelt Meiners, die de kerkeraadshandelingen van de gemeente aldaar tot zijne beschikking heeft gehad, het volgende mede: „Hij verscheen voor den Kerkenraat den 27 Junius 1558, begerende een getuigenis naar Groningen, alwaar hy voornemens was te wonen, en de kinderen van aanzienlyken te onderwyzen. Men riedt hem, buiten twyfel ter oorzaak van het gevaar, om voor af een getuigenis van de Burgermeesteren van Groningen te verzoeken, dat hy tot onderwyzer van hunne kinderen was aangestelt. Ondertusschen bleef hy te Emden, en wanneer de Gemeinte te Jennelt, met den Jonker Christoffer van Eeuwsum, hem in 't jaar 1559. den 30 Januarius aanzocht, gaven die van Emden tot andtwoordt, dat zy hem niet

arbeidt hij bij subdelegatie als inquisiteur onder Sonnius, die eene pauselijke en eene koninklijke aanstelling heeft (De stads-kameraars-rekeningen in het Archief, uitg. door Dodt, Utr. 1843, Dl. III, blz. 230). In 1559 is hij de gast van Duncanus te Delft (Extract uit Mart. Duncanus' uitgaven, in het Archief, uitg. door Dodt, Dl. V, blz. 328), die reeds 7 jaren vroeger een zijner werken aan hem had opgedragen (A. II. L. Hensen, Martinus Duncanus in zijne betrekking tot het onderwijs, in de Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom Haarlem, Haarl. 1890, Dl. XXI, blz. 111), Ook onder de vrienden van Corn. Musius wordt hij genoemd (Excursus Gisberti Lappi a Wavtren, in het Archief, uitg. door Dodt, Dl. VI, blz. 238). Omtrent De Castro als bisschop van Middelburg zie men verder de genoemde Bijdragen, 1888, Dl. XV, blz. 173; 1899, Dl. XXIV, blz. 199; 1900, Dl. XXV, blz. 419-423; 1905, Dl. XXXI, blz. 378 vv.

1) Cornelis Cooltuyn Tiniotheo, quat. Cc, fol. vi r—vijr; hierachter, blz. 238 v.

2) Meiners, Oostvrieschlandts kerkelyke geschiedenisse, Gron. 1738, Dl. I, blz. 359.

3) Cornelis Cooltuyn Tiniotheo, quat. Bb, fol. i r, iij »; hierachter, blz. 226, 228.

4) Brandt en Centen, Historie Der Koop-stadt Enkhuisen, Hoorn, 1747, blz. 118 ; Eikelenberg—Boomkamp, Alkmaer, blz. 135.

Sluiten