Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe een mensch tot kennisse sijnder sonden sal coemen Foli. xlvij. Een clare biecht wt Goodts gheboden. Foli. xlviij.

De belijdinge der sonden moet mit haer brengen droefheyt des hertes. Fol. lv

Droefheyt om die sonden comt doer dat aenmercken van dat loon der sonden. Folio. lv. //

[Aa iij".] Wroeghende kennisse der sonden moet Godt seluer wercken.

Folio lvi.

Kennisse der sonde werckt die hillighen geest doer Godts woort.

Folio lvij.

Wat de rechtueerdigen belooft is. Fo. lvij

Wat die Gdtlosen ') belooft is. Fo. lviij.

Exempelen van Godts toorn tegen die sonden. Folio lix.

Christus doot vermaent ons van Gods toorn teghen die sonden.

Folio lx.

Wy moeten in onse penitencij gheen slauen2): mer kijnderlike vrese hebben Fo. liij 3).

Leetwesende kennisse der sonden mach die sonden niet wt doen.

Folio lxv.

Van den dootslaende Wet salmen gaen tot dat leuendichmakende Euangelij. Folio, lxvij.

Beloften der schriftueren van Godts genade. Folio lxviij.

Godt heft sijn beloften beuesticht, met sijn eedt. Folio lxxi.

Godt heft sijn beloften beuesticht met sijn exempelen. Folio lxxij. Godt is den peniterende sondaer ghenadich om Christus willen

Folio lxxv

Godt heft ons Christum ghegheuen tot voldoeninge sijns gerichts

Fo. lxxv.

Wy worden Christus verdiensten deelachtich doer den ghelooue

Fol. lxxix. II

[Aa iiij r.] Hoedanich geloof rechtueerdich maect. Folio lxxx.

Yan die biecht, datmen alleen Godt sullen biechten Folio lxxxij. Datmen versoeninghe met onse naesten sullen maecken Folio lxxxij. Die oorbiecht is niet van God: mer van die menschen Folio lxxxiij. Wt die belijdinge van onse sonden tegen Godt, comt openbare belijdinghe voer die menschen Folio lxxxiiij

Van de Absolucij Folio lxxxviij

Yan die sloetelen, expositij der Vaderen. Folio lxxxviij.

Wat hooft Petrus is des ghemeents weghen. Folio xcij.

Wat hooft die Paeus is Folio xciij.

1) Lees: Godtlosen.

2) De schrijver bedoelt: slavenvrees (de vrees van een slaaf).

3) Lees: lxig.

Sluiten