Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het bundeltje wordt besloten met eene „Vermaning", door Doctor Jacobus Sobius namens den Duitschen adel gericht tot den jongen keizer '). De reeds tot het toppunt van macht verheven vorst wordt hier met groote vrijmoedigheid toegesproken. Hij ontvangt den raad zich niet te omringen van vleiers, maar liever van dezulken die hem durven terechtwijzen en de ware belangen van vorst en onderdanen voorstaan 2). Wij vernemen van Sobius, dat Duitschland in dezen tijd berucht is wegens de alom heerschende rooverij, dat de wegen bijna nergens veilig zijn, dat noch vreemdelingen noch inwoners bescherming genieten. De schuldigen zijn adellijke personen die wat zij door roof en moord verwerven in brasserij doorbrengen 3). Onverbiddelijk is het oordeel over paus Julius II, die door zijn oorlogzuchtig karakter veel onheil heeft gesticht en geen hooger doel heeft gekend dan de kerk van Rome op alle manieren te verrijken, hetzij door onrecht, hetzij door het breken van gesloten verdragen, door het zwaard, door bloedvergieten, door den dood van Christen-menschen4). Evenals Neuenahr is Sobius een beslist tegenstander van den oorlog in het algemeen5). Indien er oorlog gevoerd moet worden, laat het dan zijn tegen de vijanden van den christennaam in Afrika, in Oost-Europa en Azië (d. i. tegen de Mohammedanen)6). De kosten van den krijg moeten evenwel niet gevorderd worden van de Duitschers of de Spanjaarden, maar van den paus, daar men reeds eeuwenlang eene onmetelijke hoeveelheid geld voor dit doel naar Rome heeft gebracht. Voortdurend heeft de paus zijne rijkdommen en bezittingen vermeerderd, hij, die de stedehouder van Christus op aarde was, de erfgenaam van dengene die nooit zilver of goud bezeten heeft. Laat hij u rekenschap geven van de annaten, de erflaten, de heffingen, kortom van alle gelden die hij heeft laten opbrengen onder het voorwendsel van den aanstaanden oorlog tegen de Turken of voor werken van

1) Exliortatio nobilivm Germaniae per Iacobum Sobium, ad Carolum Romanorum semper Augustum, in Vivat rex Cirolvs, quat. E, fol. i'—F, fol. iij r; hierachter, blz. 5i6—524.

2) I. Sobius, Exhortatio, ibidem, quat. E, fol. ij »; hierachter, blz. 518.

3) Sobius, ibidem, quat. E, fol. iij >'; hierachter, blz. 519.

4) Sobius, ibidem, quat. E, fol. i\j», iiy '; hierachter, blz. 520.

5) Comitis Hermanni Nuenarii oratio, ib., quat. B, fol. iiij' en'; hierachter, blz. 505 v.; Sobius, ib., quat. E, fol. iiij'; hierachter, blz. 521.

6) Sobius, ibidem, quat. F, fol. iiij»; hierachter, blz. 521.

Sluiten