Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een seer schoon Refereyn.

Hier ziedy ghestelt met corten verhael,

Waer in dat heylicheyt leyt principael.

Heylicheyt en leyt niet in den schijn,

Maer heylicheyt leyt in heylieh te zijn.

Cappen noch wielen '), noch heylighe steden 2), En gheuen den menschen geen heylicheden. Maer die saechtmoedich zijn van gronde, Ootmoedich van zeden, behuedt3) van monde, Deuoot ende innich in zijn gebede, //

Dat heet voor Gode heylichede.

Die zijnen onwil kan verdraghen,

Ende herdde woorden sonder claghen,

Verlies van goede, en oock van eeren,

Ende alle dinck ten besten kan keeren Wat hy ziet, oft wat hy hoort.

Ende hem oock nergens in en stoort,

Gaeget4) hem tegens, oft gatet hem mede. Dat heet voor Gode heylichede.

Die hun oock geerne van sonden wachten, En luttel oft niet op hen zeluen achten, //

Ende Godt dan bouen al beminnen,

En wel bewaren haer vijf sinnen,

Gods lijden altoos int herte draghen,

En geerne altoos van Gode vraghen,

En in penitentie oorbooren haer lede,

Dit heet voor Gode heylichede.

[c viij']

[c viij»]

[c ixf]

1) Wielen, d.»'. hoofddoeken, sluiers.

2) Steden, d. «'. plaatsen.

3) Behuedt, d. i. ingetogen, voorzichtig.

4) Gaeget, d. i. ga het.

Sluiten