Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

denis is, buiten hetgeen wij uit zijne werken kunnen opmaken, maar weinig bekend. Men neemt aan, dat hij werd geboren te Leeuwarden in 1504 '). Blesdikius en Ubbo Emmius verzekeren, dat zijn vader daar priester was 2) — wat geen verwondering behoeft te baren als men weet, dat in Friesland destijds de gehuwde staat voor de priesters regel is geweest. Volgens een particulieren brief van een tijdgenoot zou hij een tijdlang behoord hebben tot de Franciakaner monnikenorde 3). Een klooster van die orde heeft zich te Leeuwarden bevonden4). Heeft hij in dit klooster zijne eerste theologische vorming ontvangen ? Zeker is het, dat hij groote kundigheden heeft bezeten. Hijzelf spreekt weliswaar van zijne „cleyne eenvoudige gave" 5); men zou hieruit echter een zeer verkeerd denkbeeld kunnen opvatten aangaande de mate zijner ontwikkeling. Er bestond toch een hemelsbreed verschil tusschen hem en een weionderwezen man der volksklasse — zooals men er in de Nederlandsche hervormingsgeschiedenis soms op den voorgrond ziet treden. Dat hij Latijn verstond blijkt uit zijne geschriften 6). Hetzelfde geldt van het Qrieksch 7). Ook het Hebreeuwsch schijnt hem niet vreemd geweest te zijn8). Een zijner geschriften is in

1) S. Blaupot ten Cate, Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland, Leeuwarden, 1X39, blz. .">7.

2) Nic. Blesdikius, Historia Daridis Georgii, Dav. 1642, p. 6; l bbo hmmius, Rervm frisicarvm historia, Lvgd. Bat. 1616, in fol., p. 892. Vergel. J. H. Ottius, Annales anabaptistiei, Basileae, 107*2, in 4"., p. 84.

3) Jochim A'ukenbiter an Jolian garthen zu Hamburg, bij A. Ritschl, Wiedertaufcr und Franziskaner, in de Zeitschrift fiir Jfirchengeschichte, Gotha, 1883, Bd. VI, S. 502.

4) [J. F. van Heussen,] Historia episcopatus Leovardiensis, p. 30; A. van Halmael. Kerken, kloosters en gasthuizen binnen Leeuwarden, in den Nieuwen Frieschen volks-almanak, Fruncker, 185.'!, blz. 106 v.

5) D. P., in het Enchiridion, fol. 98'; hierachter, blz. 182.

6) D. P., Vander Doope, in het Enchiridion, fol. 2236 r; Menschwerdinghc Iesu Christi, ald., fol. 65 r; hierachter, blz. 83, 100, 138; Een lie/felicke Vermaninghe, ald., fol. 35»; dezelfde, Een cort, doch grondtlick verhael, [1567], quat. B, bl. iiijr; dezelfde, Een appendix, quat. E, bl. ir; dezelfde, Van die kcht der Christenen, hoe sy van Godt beuolen, ende vanden gheloouighen, na der Schrift moet ghehouden werden, 1509, quat. A, fol., v v; B, fol. vi * ; G, fol. iiy r; H, fol. iiij r.

7) D. P., Bekentenisse, in het Enchiridion, fol. 6»; Menschwerdinghe Iesu Christi, ald., fol. 65 f; hierachter, blz. 63, 138.

8) I), P., Bekentenisse, in het Enchiridion, fol. 3r; Van de kennisse Iesu Christi, ald., fol. 81 ; hierachter, blz. 60, 100.

Sluiten