Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

27. F. J. Rheeder, Com., Rouxville.

28. A. Ross, Com., Vrede.

29. P. W. de Vos, Com., Kroonstad.

30. W. J. Wessels, Asst. Hoofdcom., Harrismith en Vrede.

De vergadering gaat nu over tot het kiezen van een Voorzitter. De volgenden worden voorgesteld: J. de Clercq, C. F. Beijers, C. C. Froneman, W. J. Wessels en G. A. Brand.

Met gesloten stembriefjes wordt uit dit vijftal Generaal C. F. Beijers gekozen. Hij neemt den voorzitterstoel in en vraagt Ds. Kestell in het gebed voor te gaan.

Wd. President S. \V. Burger verklaart nu de vergadering voor wettig geconstitueerd, en daarna spreekt de Voorzitter een gepast woord. De vergadering wordt verdaagd tot 3 uur.

De vergadering komt weer bijeen en de Voorzitter vraagt Wd. Pres. Burger de zaak toe te lichten. De Wd. President neemt daarop het woord, en heet allen welkom. Hij betreurt het dat er afwezig zijn sommigen, die anders zeker tegenwoordig zouden zijn geweest. Maar de oorlog heeft zijn slachtoffers geëischt, en velen, die bij ons hoog aangeschreven stonden, waren gesneuveld of gevangen genomen of waren, helaas ! ontrouw geworden.

Toch is er een aantal dat het tot heden staande gebleven volk, als vertegenwoordigers dient.

Wij zijn, dus ging de President voort, tot den voet des bergs gekomen, die wij beklimmen moeten, en alles hangt nu van de volksvertegenwoordigers af. Wij mogen het niet ontkennen, dat de toestand hachelijk is, en dat wij een duistere toekomst te gemoet zien. Veel zullen wij er over moeten spreken. De gevoelens zullen uiteenloopend zijn. Daarom is het noodzakelijk dat wij elkander verdragen en niet bevreesd zijn onze gevoelens ruiterlijk uit te spreken;

Hierna gaat de Wd. President er toe over om te zeggen wat aanleiding heeft gegeven tot deze samenkomst. Hij wijst op de correspondentie tusschen Nederland en Engeland. Een kopie van deze correspondentie was door Lord Kitchener aan de Regeeringen der beide Republieken gezonden, en de Regeering der Z. A. R., die dezelve het eerst ontving, meende dat men de gelegenheid te baat moest nemen, en verzocht Lord Kitchener haar in staat te stellen

Sluiten