Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem des te meer moed. Ju.st omdat de zaak reeds zooveel heeft gekost, durven wij haar niet opgeven. Is men eens overwonnen, dan it met het afnkaansche volk gedaan, dan is alle kans tot herleving voorbij. Waarom zullen wij niet op God blijven vertrouwen? Wij hebben geen reden om God, die ons tot op dit oogen, geholpen heeft, te wantrouwen.

f „ ^cor- Breijtenbach (Utrecht) keurt alle grootspraak f. Men moet elkander verdragen. Hij heeft opdracht van de burgers, die h,j vertegenwoordigt, en die opdracht is dat hij na den a oop ezer beraadslagingen zal moeten aantoonen dat de oorlof voortgezet kan worden. Kan hij dit doen dan zal Utrecht aanhou* en. Kan hij dat niet doen, dan zal Utrecht niet meer vechten En nu, zegt hij, kan hij dit niet doen! Er zijn 10 districten in de ransvaal, die niet meer kunnen voortgaan. Moeten die nu in den steek gelaten worden? Wij moeten niet ons hart alleen, maar ook ons verstand raadplegen. En wat zegt hem zijn verstand ? Dit: Wij kunnen den oorlog niet voortzetten. Besluit men derhalve den oorlog voort te zetten, dan moet zulks gedaan worden zoo als in het egin. Maar dat kan niet. Men beroept zich op God, doch men kan in Gods raad niet ingaan. Toch kunnen wij eenigszins verstaan wat j °,P °ns gebed hccfl geantwoord. Wij zijn met den Mauser en iet gebed den oorlog begonnen. En wat is Gods antwoord op dat

5' Vi W'J m°eten ons verstand gebruiken. Gaan wij voort.

an zullen wij ons volksbestaan den nekslag geven. Wij hebben

gehoord, dat er 10 districten zijn. die niet kunnen aanhouden Moeten wij zeggen : Wij zullen voortgaan, en die districten aan zichzelven overlaten? Neen! Wij moeten redden wat wij redden kunnen.

Generaal Liebenberg vereenigt zich met wat door de ïecren Viljoen en de Clercq is gezegd. De toekomst is donker. Men moet, ja, op God vertrouwen, maar toch ook zijn verstand gebruiken. Hem werd opgedragen zooveel mogelijk de onafhankelijkheid te behouden, maar, zoo dit onmogelijk blijkt te zijn, dan te trachten vrede te verkrijgen op de beste termen.

C o m. I ijs zegt: „Broeders! wij staan voor eene zeer ern stige zaak". Hij wijst er op, dat indien de strijd wordt voortgezet, hij zijn district zal moeten verlaten, en dan zullen de huisgezinnen daarin aan de genade der kaffers overgelaten zijn. Hij ziet kans de

27*

Sluiten