is toegevoegd aan uw favorieten.

Lief en leed in dienst der christelijke barmhartigheid, 1882-1907

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beden. Maar — laat ze tot uw ooren ingaan de bemoedigende persoonlijke, zoo blijmoedig afgelegde verklaringen : »wij zijn andere menschen geworden; wij hebben naast God aan de Inrichting alles te danken wat wij nu zijn, en wat wij zullen worden voor eeuwig.«

Zouden zulken met ons niet mede feestvieren ; niet mede het feestlied aanheffen ! Zóó klinkt elks lied : »Een Gids gaat aan mijn zij, die, wankelen al mijn schreden, staat met zijn hulp nabij.«

En feest, feest is het ook voor niet weinigen, wier weg God naar ons heeft heengeleid om onzen kranken den noodigen bijstand te verleenen ; die in den moeilijken arbeid voor dien arbeid zijn bekwaamd ; in den omvang met onze kranken veel hebben af- en veel aangeleerd, en het gulweg bekennen, dat zij in onze Stichtingen voor zich zeiven veel meer hebben ontvangen dan zij haar aanbrachten, of ooit zullen kunnen aanbrengen. Opvoedende, zijn zij zelf opgevoed; dienende, zijn zij gediend. En verstandelijk en geestelijk rijker geworden, klinkt ook uit hun dankbaar hart het feestlied: «Voorwaar, wij hebben het goed.«

En welk een heerlijk gevoel geeft het hun na verloop van een grooter of kleiner aantal jaren in onze Stichtingen doorgebracht of buiten haar werkzaam, thans te mogen denken : Zilver en goud had ik niet, maar wat ik had, dat mocht ik geven, mij zeiven ; zóó maakte God mij tot een steun, een vriend, een leidsman of leidsvrouw van vele ongelukkigen, die mij nu danken en eeuwig danken zullen uit de volheid van een gelukkig geworden gemoed.

Wat eene weelde, een door niets te overtreffen weelde voor menschen, die toch niets te geven hadden, dan wat zij zelf eerst uit genade ontvingen. Ook hier dus: Den hoogen God alleen de eer!

Alle reden dus tot feestvieren, feest in onze gebouwen en gezelschapszalen, feest in onze keukens en werkplaatsen, feest in onze kerklokalen, feest in vele harten, feest in vele kringen, ook buiten onze terreinen.

God heeft op uitnemende wijze voor Zijne planting gezorgd.