is toegevoegd aan uw favorieten.

Lief en leed in dienst der christelijke barmhartigheid, 1882-1907

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wordt er dan slechts gewerkt en niet genoten op Sarepta? Vraagt dat aan de patienten en gij hoort opgewonden verhalen van een boottocht elk iaar, van feesten op gedenkwaardige dagen, van den Sint, die ook daar een bezoek brengt, van den heerlijken Kerstavond. Zij worden niet moede u te vertellen van het »kunstgenot« dat zij smaakten, als vriendelijke bezoekers ze onthaalden op muziek en zang. Gij, die speelt en zingt, komt, verkwikt de patienten met uw spel en lied — het is een dankbaar publiek. Daar wordt ook veel gezongen op Sarepta. Een driestemmig koor, in den laatsten tijd geoefend door eene dame-patiente, zingt heerlijke liederen, die u wonderlijk aangrijpen, daar ter plaatse gehoord. Ook genieten zij van den eenig mooien tuin, een waar lustoord vol bloemen, schitterend van kleur, lieflijk van geur. De tuin is elk jaar schooner en het eigenaardige er van is: wat men er voor uitgeven kan is, o, zoo weinig, en dat weinige werpt woekerrente af. Van waar dit verschijnsel ? Zou het niet zijn, dat de portier, tevens tuinman, een bloemenvriend is met een diakonenhart ?

Zoo komen wij aan het eind van onze wandeling. Dankbaar gedenkt het Bestuur allen, die door daad of gift de Inrichting steunen. Te betreuren blijft het, dat de Christelijke liefdadigheid nog niet elastischer is: zoovele lijderessen moeten afgewezen worden uit gebrek aan geld. Leefde Vondel nog, hij schreef op de poort van Sarepta, zóó dat het sprak tot het hart van elk, die wat missen kan:

»Wij groeijen vast ln tal en last:

Ons tweede Moeders klagen.

Ay, ga niet voort Door dese poort.

Of helpt een luttel dragen!«

Maar geen klaagtoon in een Feestuitgave. Hij, die tot hiertoe hielp, zal verder zorgen. Nog één blik vol diepen