is toegevoegd aan uw favorieten.

Lief en leed in dienst der christelijke barmhartigheid, 1882-1907

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is bij ons niet zoo als in vele ziekenhuizen, dat de patienten zeer ziek komen en betrekkelijk spoedig weer vertrekken. De meesten onzer patienten blijven jaren in de Inrichting, en dus vormen wij te zamen een zeer groot huisgezin. En aangezien onze kranken door hare toevallen van de wereld zijn afgesloten, trachten wij haar in onze omgeving, zooveel mogelijk te doen vergeten, wat zij missen, en als gij ons groot gezin gade slaat bij onze feesten, dan kunt gij zien hoe ons dat gelukt.

Er zijn geen gelukkiger en dankbaarder menschen in heel Haarlem dan onze toevallijderessen, als wij ons Kerstfeest vieren ; zij zijn zoo gelukkig als zij met hare geschenken, na afloop van het feest, in de gezellig verlichte eetzalen zitten aan de goed voorziene tafels. Maar haar vreugde bepaalt zich niet slechts tot de bekomen geschenken, het is voor allen een genot met schoone kerstliederen mede te mogen werken om wijding te geven aan ons huislijk feest. Hoe dikwijls spreken zij later over het schoone verhaal, dat zij hoorden of over een goed woord dat ingang vond in de harten, en ik verzeker u, dat uit menig vroom hart onder onze kranken een gebed opstijgt »dat er een zegen moge uitgaan van onze feestviering.«

Soms denk ik »het gaat toch wonderlijk bij ons toe;« komt er een nieuwe patiënt, ja dan weten wij wel of zij Catholiek, Israëliet of Protestant is, maar hoe het verder met haar geloof staat, daar denken wij niet veel aan, en of de patiënt >e, iz of 3e kl. is, ieder komt als iets dat zoo behoort bij het lezen van Gods woord en gaat op Zondagmorgen en Donderdagavond mee naar de kerk, en ofschoon er toch menschen komen van alle richtingen, geeft dat nooit eenige moeite.

Waar wij bij aankomst niet naar vroegen, dat komt langzamerhand van zelf aan den dag.

Men denke toch niet dat onze patienten automaten zijn, die als in een sleur maar mee gaan. Even zoo goed als er in onze kerken menschen zitten, die het zich een zonde rekenen, gezangen mee te zingen, zijn zij ook bij ons ; even goed als